Patrick LoobuyckEr was mij op voorhand gezegd: “Verwacht niet dat Patrick Loobuyck de dialoog zal aangaan.” Een professor Levensbeschouwing die voortdurend pleit voor interlevensbeschouwelijk gesprek zou de dialoog niet aangaan? Ik had moeite om dat te geloven. Vandaar dat ik bleef werken aan een pamflet over godsdienstonderwijs (lees het hier en sluit je eventueel aan bij de meer dan duizend ondertekenaars tot nu toe). Daarin wordt weliswaar soms scherpe kritiek geformuleerd op uitlatingen van Loobuyck en anderen, maar wordt ook opgeroepen tot dialoog. Filosofen als Loobuyck zijn ook gewoon dat hun opvattingen bekritiseerd worden, vaak in de soms scherpe stijl die ze zelf graag gebruiken, dus ook daarin zag ik geen graten. Bovendien communiceert Loobuyck zelf graag via sociale media, dus een openbare oproep tot dialoog, via die media, zou hij ook wel kunnen smaken. Dacht ik.

Maar wat blijkt nu? Loobuyck slaat aan het twitteren over in plaats van het rechtstreekse gesprek aan te gaan met. Er zijn er op deze wereld nog die verwoed aan het twitteren slaan zodra hun opvattingen worden bekritiseerd.

Toen ik hoorde dat Loobuyck aan het twitteren was geslagen, liet ik alle hoop nog niet varen. Een professor levensbeschouwing die voortdurend pleit voor interlevensbeschouwelijk gesprek zou wel op een eerlijke manier reageren, en niet onmiddellijk de kritiek op zijn opvattingen en die van anderen valselijk “framen”. Ik nam even een kijkje en stelde echter het volgende vast.

In het pamflet schrijf ik:

“De lijken van de slachtoffers waren amper koud of De Ceulaer uitte zijn wens [om de levensbeschouwelijke kooplieden uit de scholen te ranselen] opnieuw naar aanleiding van de aanslag op Charlie Hebdo. Op de website van Knack (13 januari 2015) fulmineerde hij tegen een Vlaams onderwijsbeleid dat al te lang te tolerant zou zijn geweest tegenover zogezegde aantastingen van een universele moraal.”

Bij een twitterende Patrick Loobuyck wordt dat:

“Voor de goede orde, het stuk van @jdceulaer verscheen helemaal niet naar aanleiding van de aanslagen.”

Het is blijkbaar moeilijk om de nuance te vatten. Het is nochtans een feit dat De Ceulaer zijn artikel opnieuw lanceerde naar aanleiding van de aanslag op Charlie Hebdo, en dat hij zowel op radio en tv in die periode het pleidooi uit het artikel herhaalde. Dat woord “opnieuw” wordt blijkbaar moeilijk in rekening gebracht. Ook de datum waarop het artikel van De Ceulaer inderdaad “opnieuw” verscheen, 13 januari 2015, 6 dagen na de aanslag op Charlie Hebdo, is niet toevallig. En dan is er nog die vermaledijde begeleidende tekst van de Knack-redactie bij het artikel:

“Naar aanleiding van de jihadistische aanslagen in en rond Parijs pleitte Knack-journalist Joël De Ceulaer in het Radio 1-programma Hautekiet voor de afschaffing van levensbeschouwelijke schoolvakken. Herlees hier de ‘Lastpost’ die hij daarover schreef in Knack van 5 november 2014.”

Joël De Ceulaer opnieuw pamflet Godsdienst met of zonder LEF

In het pamflet schrijf ik:

“Patrick Loobuyck, zowat de architect van het vak LEF, is een van de kampioenen in de verspreiding van foutieve informatie over het vak rooms-katholieke godsdienst. Ofwel komt dat voort uit oprechte onwetendheid, ofwel uit een bewuste strategie. Valse Messiassen creëren altijd eerst een voorheen onbestaand probleem om zich vervolgens als redders te profileren en een eigen ideologische agenda door te drukken.”

Bij een twitterende Patrick Loobuyck wordt dat:

“Wie vindt dat @PLoobuyck een valse messias is, kan hier op @ThomasRKG het pamflet tekenen.”

Alweer is het blijkbaar moeilijk om de nuance te vatten. Als zijn misvattingen over het godsdienstonderwijs voortkomen uit oprechte onwetendheid, moet Loobuyck zich natuurlijk niet aangesproken voelen wat betreft die zin over valse messiassen. Loobuyck kan wel degelijk de dialoog aangaan op een zelfkritische manier en toegeven dat hij zich bijvoorbeeld heeft vergist over de huidige leerplannen en de handboeken voor godsdienst, maar dat hij zich geenszins bewust was van die vergissing. Loobuyck kiest ervoor om dat niet te doen. Dat is zijn goed recht, maar het bevestigt vooralsnog dat hij liever tendentieus twittert dan voor een face to face dialoog te kiezen.

In het pamflet schrijf ik:

“Een andere bekende lobbyist voor het vak LEF, Maarten Boudry, nemen we zijn soms ronduit dwaze beweringen over theologie en theologen minder kwalijk (hij is geen godsdienstwetenschapper), hoewel…”

Bij een twitterende Patrick Loobuyck wordt dat:

“Wie vindt dat @mboudry een dwaze lobbyist is, kan hier op @ThomasRKG het pamflet tekenen.”

Blijkbaar is het problematisch om aantoonbaar onjuiste opvattingen “dwaas” te noemen, en denkt filosoof Loobuyck dat je een persoon karakteriseert als je iets zegt over een aantoonbaar onjuiste opvatting van die persoon.

Beste Patrick,

Ik kan alleen voor mezelf spreken, maar ondanks de waarschuwingen die ik kreeg en de bevestiging die je tot nu toe gaf voor die waarschuwingen, blijf ik geloven in jou. Je bent een voorvechter van de dialoog, en dus neem ik aan dat je het waardevoller vindt om uiteindelijk het rechtstreekse gesprek aan te gaan. Als je dan toch twittertijd en –aandacht besteedt aan het pamflet, zou je dan niet liever – filosoof zijnde – aan tafel gaan zitten? Communiceren kan ook gemakkelijk zijn in deze internettijden, en ook eerlijker. Wat denk je, zou je niet aan tafel willen schuiven met enkele van je criticasters en goede vrienden, eventueel met een goed glas (en gebroken brood), zodat we allemaal samen de zelfgenoegzaamheid van ons eigen clubje kunnen doorbreken?

Ik wil je een hand geven, beste Patrick, en ik steek het uit. Ik weet het, je kan het altijd weigeren en blijven spreken “over” in plaats van “met”, maar waarom zou je dat doen als een veel aangenamer scenario mogelijk is? Laten we met z’n allen de empathie aan de dag leggen om ons te verplaatsen in de positie van de ander.

Alleszins beste groeten!

Patrick Loobuyck twitter over pamflet Godsdienst met of zonder LEF

POST SCRIPTUM

Eén van de beproefde strategieën om de dialoog te weigeren, is de verantwoordelijkheid daarvoor bij “de andere partij” te leggen. Je krijgt dan van die redeneringen als: “Omdat de andere partij zus of zo reageert, kan of wil ik de dialoog niet aangaan.”

Op die manier tracht je natuurlijk je eigen aandeel en verantwoordelijkheid in het al dan niet lukken van de dialoog te ontlopen. Het is geweten dat op die manier conflicten in stand worden gehouden.

Kennelijk hebben professoren die zich specialiseren in de “dialoog” soms nog iets te leren over “eigen verantwoordelijkheid in de dialoog”. Patrick Loobuyck twittert, alweer (jammer en stilaan grotesk), bijvoorbeeld het volgende naar aanleiding van het voorgaande (mails komen blijkbaar niet aan):

Patrick Loobuyck weigert dialoog

Patrick Loobuyck bevestigt op dit moment:

1) dat hij de dialoog niet op een eerlijke manier wenst te voeren

2) dat hij zijn eigen aandeel en verantwoordelijkheid in het mislukken van de dialoog tracht te ontlopen

Is er angst voor de dialoog? En mogen al de mensen die zich solidair verklaarden met de oproep tot dialoog (onder wie atheïsten, agnosten, gelovigen van verschillende gezindte en mensen uit alle geledingen van het levensbeschouwelijke onderwijsveld – van studenten tot professoren) nog verwachten dat Patrick Loobuyck “aan tafel schuift”?

Het is trouwens niet de eerste keer dat Loobuyck, via de openbare media die hij zelf vaak gebruikt om te communiceren, is opgeroepen tot dialoog, en meestal gebeurde dat op een vriendelijke manier. Zie bijvoorbeeld:

Open brief aan Patrick Loobuyck en de pleitbezorgers van LEF

Op “hardere” taal wordt wel gereageerd met een tweet (en waarschijnlijk is dat normaal, des mensen):

Het fascisme van antireligieuze utopisten

POST POST SCRIPTUM (OF HOE EEN MENS ZICH IN BOCHTEN BLIJFT WRINGEN)

Er wordt getwitterd. Er wordt gefacebookt. Patrick Loobuyck postte nog het volgende:

Kort enkele zaken over het pamflet van leerkrachten rooms-katholieke godsdienst (zie fb-post 2 juni, https://www.kuleuven.be/…/godsdienst-met-of-zonder-lef-pam…/ ), waarom ik het onheus tendentieus vind en eerder gericht op verdachtmaking dan op inhoudelijk gesprek:
– LEF is in de kern een pleidooi voor eindtermen levensbeschouwelijke, democratische en morele geletterdheid en filosofie. Hierover in het pamflet geen woord.
– Waarom wordt Maarten Boudry erbij gehaald? Hij heeft zich bij mijn weten nog niet enorm ingespannen of geprofileerd inzake LEF. Hij was ook geen lid van de LEFvzw. Waarom hem dan een lobbyist noemen voor LEF? Hij wordt erbij gehaald om het Pollefeyt-frame te bevestigen dat LEF een atheïstisch, ideologisch vak zou zijn. O.a. https://doorbraak.be/intellectuelen-maatschappelijk-debat-…/
– Joël De Ceulaer schreef zijn stuk waarnaar verwezen wordt vanuit een persoonlijke ervaring, eerste semester 2014. LastPost was steeds in een typerende scherpe stijl geschreven. Er wordt in zijn stuk overigens geen melding gemaakt van LEF, ik denk zelfs dat hij toen niet eens op de hoogte was van het bestaan van het LEF-idee – maar dat zou je hem moeten vragen. Kortom het stuk heeft als dusdanig niets met LEF te maken. http://www.knack.be/…/wordt-het…/article-opinion-524885.html
– Dat Hautekiet na de aanslagen een uitzending doet over de levensbeschouwelijke vakken, daar hebben De Ceulaer noch Loobuyck iets mee te maken. Na de aanslagen werden in heel wat officiële scholen de aparte levensbeschouwelijke vakken opgeschort en organiseerde men overleg en dialoog over de vakken heen. Dat vonden de media nieuwswaardig en het deed hen denken aan mijn ideeën. Bovendien had iedereen plots de mond vol van het belang van democratische vrijheden, waarden en uitgangspunten. Vandaar. https://radio1.be/moeten-alle-levensbeschouwelijke-schoolva… [Dat het stukje van De Ceulaer dan nog eens op de knackwebsite is verschenen, heeft denk ik ook niets met hem te maken (hij was op die datum al bij De Morgen), maar zal een redactiekeuze geweest zijn van Knack. Ook dat zou je hem eens moeten vragen]. Kortom, goed geprobeerd, maar het heeft niets met lijkenpikken te maken.
– “laten zien met welke bril je kijkt, tenminste als je een totalitaire tendens in je denken wil vermijden”. Nog zo’n mooie beschuldiging: zet LEF bij het totalitaire denken en we kunnen er met zijn allen tegen zijn. De bril van waaruit LEF wordt gegeven en verdedigd is die van de academische discipline van de religiestudie. De ideologische bril, zo je wil, is die van het politiek liberalisme à la Rawls. Dit is net het tegenovergestelde van totalitair denken overigens. Bovendien is daar nooit een geheim van gemaakt. Lees in dit verband Samenleven met gezond verstand en het LEF-boekje. Zij die beweren dat ik mijn achterliggend denkkader niet expliciteer willen ofwel niet lezen ofwel gratuit beschuldigen. En als je niet wil lezen, hou je dan tenminste aan de NIVEA-regel: Niet Invullen Voor Een Ander. https://www.polis.be/samenleven-met-gezond-verstand.html http://www.aspeditions.be/…/meer-lef-in-het-onder…/15034.htm
– “Wie even tijd neemt om de handboeken rooms-katholieke godsdienst te bekijken bijvoorbeeld, ziet al snel dat religie en met name het christendom er zeer gefilterd wordt gepresenteerd.” http://www.knack.be/…/jongeren-…/article-opinion-623745.html Daar blijf ik bij, op basis van de handboeken Caleidoscoop (Wolters/Plantyn) en Meander (Pelckmans). De handboeken brengen een theologisch gekleurd verhaal. Religie wordt onvoldoende vanuit het perspectief van religious studies bekeken. Bij de islamhandboeken is dat trouwens nog meer het geval. Dat is nog voornamelijk echt teaching into religion. Maar zoals ik in datzelfde stuk ook schrijf: de levensbeschouwelijke vakken staan op dat punt recht in hun schoenen. Ze doen waarvoor ze bedoeld zijn. Het stuk is geen aanval op de vakken, maar een appel aan de overheid. Het is de Vlaamse overheid die in gebreke blijft door geen eindtermen te willen formuleren waardoor het wetenschappelijk-kritisch denken over levensbeschouwing en het buitenperspectief dat de religiestudie biedt niet voor iedereen gegarandeerd zijn. De eindtermen waar LEF voor staat sluiten niet uit dat er in andere vakken wel een theologisch verhaal gebracht wordt. Er is van bij het begin ook steeds gezegd dat LEF een rooms-katholiek godsdienstvak (bv. op katholieke scholen) in principe niet hoeft uit te sluiten. Zie oa https://www.demorgen.be/…/lef-voor-de-burgers-van-morgen-b…/ Wat er met de bestaande levensbeschouwelijke vakken moet gebeuren is op zich een aparte discussie. En om die in Vlaanderen ten gronde te kunnen voeren, halen we de levensbeschouwelijke vakken best terug uit de grondwet (waar ze pas sinds 1988 zijn in opgenomen, art. 24). http://www.knack.be/…/de-neutr…/article-longread-679199.html
– Tot slot wat de dialoog betreft. Er zijn mensen die met me in dialoog willen gaan en me daarvoor eenvoudig een vriendelijk uitnodigende mail sturen. Ik weiger normaal geen gesprekken en was bijvoorbeeld ook al te gast bij een overlegmoment van de inspectie rooms-katholieke godsdienst, op katholieke dialoogscholen, etc. Wie echter denkt te kunnen uitnodigen tot dialoog door handtekeningen te verzamelen voor een tendentieus pamflet met verdachtmakingen… Tja.
Op zijn blog reageert de initiatiefnemer (die ik overigens niet ken, ook niet vanop sociale media) ondertussen met opnieuw verdachtmakingen. https://mimeticmargins.com/…/het-ware-gelaat-van-patrick-l…/ “Er zijn er op deze wereld nog die verwoed aan het twitteren slaan zodra hun opvattingen worden bekritiseerd.” Maw: Loobuyck = Francken/Trump?
Jezus…

Enfin, voor de rest, altijd bereid om van gedachten te wisselen. Mijn mailadres staat online.

EEN ANTWOORD:

De meer dan 1000 ondertekenaars van het pamflet “Godsdienst met of zonder LEF?” tot nu toe (onder wie atheïsten, agnosten en gelovigen van verschillende gezindte, alsook mensen uit het hele levensbeschouwelijke onderwijsveld, van studenten tot professoren) mogen hopelijk stilaan een minder krampachtige reactie verwachten op de uitnodiging tot dialoog – met leerkrachten RKG en anderen. Een antwoord op het zoveelste Facebook-bericht van Patrick Loobuyck, punt per punt:

1) Het pamflet gaat niet over LEF, maar over hoe het vak RKG vandaag wordt geconcipieerd. Vandaar de vraag op het einde van het pamflet aan de voorstanders van LEF in hoeverre LEF beantwoordt aan de betrachtingen van het huidige vak RKG. Als dat helemaal duidelijk was, dan zou die vraag niet worden gesteld.

2) Op 30 november 2011 was Maarten Boudry één van de ondertekenaars van een pleidooi voor LEF in de krant De Morgen, getiteld “LEF voor de burgers van morgen”. Zie: https://www.demorgen.be/…/lef-voor-de-burgers-van-morgen-b…/

3) Het is blijkbaar de schuld van onder andere Knack dat het stuk van De Ceulaer over levensbeschouwelijk onderwijs verkeerdelijk “geframed” werd? Je kan lezers niet verwijten dat ze lezen wat ze lezen, met name:

“Naar aanleiding van de jihadistische aanslagen in en rond Parijs pleitte Knack-journalist Joël De Ceulaer in het Radio 1-programma Hautekiet voor de afschaffing van levensbeschouwelijke schoolvakken. Herlees hier de ‘Lastpost’ die hij daarover schreef in Knack van 5 november 2014.”

Bovendien verscheen hij in diezelfde week na de aanslagen op Charlie Hebdo ook nog eens in Reyers Laat, in een discussie met Mieke Van Hecke die als titel meekreeg: “Wat doen we met Allah en God op school?”

Dat zijn tendentieuze aankondigingen en titels van Knack en van de VRT. Je kan het lezers, luisteraars en kijkers niet kwalijk nemen dat ze het debat dan ook in die context plaatsen, zeker als Joël De Ceulaer zelf daar geen probleem van blijkt te maken op dat moment.

In ieder geval heeft een actuele voorstander van LEF in een niet zo ver verleden de pleidooien gevoerd die hij heeft gevoerd.

4) Over “laten zien met welke bril je kijkt om een totalitaire tendens te vermijden…” Het is veel mensen vooralsnog onduidelijk hoe “neutraliteit” wordt ingevuld door LEF. Je antwoordt: “De bril van waaruit LEF wordt gegeven en verdedigd is die van de academische discipline van de religiestudie. De ideologische bril, zo je wil, is die van het politiek liberalisme à la Rawls.”

Dat is niet neutraal, dus waarom zou je dat woord nog gebruiken? Bovendien kent “de academische studie van de religiestudie”, zoals elke menswetenschap, een waaier van theoretische uitgangspunten en “brillen”. Ook daarover kan meer duidelijkheid komen. Overigens vertrekt het vak RKG ook van dergelijke religiestudie.

5) Over de handboeken zijn we het fundamenteel oneens. We kunnen samen bijvoorbeeld het handboek Caleidoscoop (of een opvolger daarvan) eens grondig bekijken. In het pamflet wordt aangegeven op welke manier Caleidoscoop een aantal van je aantijgingen omtrent handboeken weerlegt. Bovendien poneer je in het aangehaalde artikel dat “godsdienst op erg gespannen voet staat met de huidige wetenschappelijke bevindingen”. Dat is niet juist. Caleidoscoop laat zien welke opvattingen over godsdienst leiden tot conflicten met wetenschap en welke niet. Omdat voorstanders van LEF de afgelopen jaren uiteenlopende standpunten hebben geuit in de media (soms werd gesproken over “afschaffing”), is het niet altijd even duidelijk op welke manier het vak RKG nog een plaats krijgt naast LEF – standaard in katholieke scholen, of via “gasturen”, of in sommige katholieke scholen wel en andere niet, of na een herziening van de netten, etc.?

6) Jij bent zelf verantwoordelijk voor het al dan niet aangaan van de dialoog op basis van wat je een “verdacht-makend pamflet” noemt. Hierboven is enige verduidelijking geschetst voor je vragen en bedenkingen. Wat bijvoorbeeld wordt geschreven over Boudry, gaat over hemzelf en moet jij niet voor je rekening nemen. Maar het is een feit dat voor de buitenwereld iemand natuurlijk wordt geassocieerd met LEF als hij een pleidooi van academici voor LEF in De Morgen tekent. Is het zo vreemd dat lezers Boudry als voorstander van LEF zien dan?

7) Mijn opmerking over “verwoed twitteren” is in de eerste plaats algemeen. Velen twitteren verwoed tegenwoordig. Dat jij jezelf vergelijkt met Trump en Francken, is voor jouw rekening. Het pamflet telt 6 bladzijden. Het gros daarvan gaat helemaal niet over Patrick Loobuyck, zelfs niet over LEF als dusdanig (vandaar de vragen op het einde, naar verduidelijking). Het pamflet verduidelijkt, nogmaals, hoe RKG vandaag is geconcipieerd en wil vanuit het wegwerken van een aantal misvattingen de dialoog aangaan over de toekomst van het levensbeschouwelijk onderwijs.

Het is overigens fijn om te zien dat na het getwitter de aandacht voor mailverkeer komt. We mailen elkaar. Dat is hoopgevend. De polariserende mediastorm, van beide kanten, die in deze tijden een normale fase lijkt, gaat liggen.

[PDF]

KLIK HIER VOOR SAMENVATTING (PDF)

PDF: BEKNOPTE INLEIDING OP DE GESCHIEDENIS VAN DE WESTERSE WIJSBEGEERTE

LEESWIJZER BIJ DE ONDERSTAANDE TEKST:

I. KLASSIEK RELIGIEUS DENKEN IN ARCHAÏSCHE CULTUREN:

  • OVERZICHT (FEITENMATERIAAL)
  • VERKLARING VANUIT UNIVERSEEL MENSELIJKE EIGENSCHAPPEN (THEORIE)

II. DE JOODS-CHRISTELIJKE TRADITIE ALS KRITIEK OP “RELIGIEUS DENKEN”:

  • IN ARCHAÏSCHE ZIN, MET DE OEDIPUSMYTHE ALS SAMENVATTING VAN “KLASSIEK RELIGIEUS DENKEN”
  • IN ZOGENAAMD “CHRISTELIJKE” MIDDENS
  • IN SECULIERE MIDDENS

III. DE MOGELIJKE GEVOLGEN VAN DE JOODS-CHRISTELIJKE OPENBARING:

  • “APOCALYPS” (MET TIJDELIJKE SACRIFICIËLE VREDES “VAN DEZE WERELD”)?
  • “RIJK GODS”?

I. De wereldwijde puzzel van archaïsche religies “uit-gelegd”

TinkuIn de Boliviaanse Andes organiseren inheemse volkeren elk jaar Tinku, een festival waarbij vooral mannen uit verschillende dorpen hevig met elkaar op de vuist gaan. Het rituele gevecht vindt plaats begin mei. Wie eraan deelneemt, gelooft dat het offeren van menselijk bloed nodig is om van de berggeesten een goede oogst af te smeken. Vaak omhelzen strijdende partijen elkaar na afloop. De bedoeling van het ritueel is immers het creëren en bestendigen van orde en vrede.

Als westerlingen staan we er een beetje van te kijken. Dat de uitbraak van oncontroleerbaar geweld taboe is, kunnen we nog begrijpen. Maar dat je gewelddadige rivaliteit ten gevolge van eventuele voedseltekorten bij misoogsten zou vermijden door… gewelddadige rivaliteit toch toe te laten tijdens een duidelijk afgebakende periode van enkele dagen, vinden we op zijn minst vreemd. Bovendien geloven we niet dat een vruchtbare oogst afhangt van de vraag of je wel hard genoeg op het gezicht van een volksgenoot hebt getimmerd. De traditionele bewoners van de Andes zijn al eeuwenlang overtuigd van het tegendeel. Ze vertellen mythes over berggeesten en over Pachamama (Moeder Aarde), goddelijke wezens die mensenoffers vragen. Het valt op hoe die goddelijke wezens op twee manieren in verband worden gebracht met geweld: enerzijds is de mogelijk gewelddadige desintegratie van een gemeenschap het gevolg van “goddelijke toorn”; anderzijds vragen de goddelijke krachten om gewelddadige ceremonieën.

De vergoddelijking of sacralisering van geweld kent dus twee aspecten: het geweld is taboe (in de mate dat het oncontroleerbaar is), tenzij het wordt benaderd in de context van een ritueel (in de mate dat het controleerbaar is). Het ritueel moet potentieel destructieve sacrale krachten ombuigen in vruchtbare dynamieken. Overtredingen van taboes, door slecht of niet-uitgevoerde rituelen, vergroten de kans op crisissituaties (een slechte oogst, bijvoorbeeld, of de uitbraak van besmettelijke ziektes). Die crisissituaties worden steevast gepercipieerd als straffen van de goden. Goed uitgevoerde rituelen functioneren dan ook als een vaccin: een kleine dosis geritualiseerd (offer)geweld moet gemeenschappen immuun maken tegen epidemieën van oncontroleerbaar geweld allerhande.

Samen met veel andere antropologen heeft de Frans-Amerikaanse denker René Girard (1923-2015) vastgesteld dat archaïsche religies over heel de wereld geweld als iets sacraals beschouwen. Het zopas beschreven Tinku festival is slechts een van duizenden voorbeelden waaruit dat blijkt. Dat geweld bij de erfgenamen van oeroude religies als iets goddelijks wordt gezien, is een feit. Het is geen theoretische hypothese. Dat rituelen in die context worden onderhouden om het voortbestaan van gemeenschappen te verzekeren, is eveneens een feit. Dat geweld het eerste verschijnsel zou zijn dat gesacraliseerd werd, is dan weer wel een hypothese. Ze behoort tot de kern van Girards zogenaamde “mimetische theorie” over geweld, cultuur en religie. Girard weigert te geloven dat religie ontstaan zou zijn als primitief verklaringsmiddel. Hij veronderstelt dat de prehistorische mens vooral bezig was met overleven, niet dat die mens een soort filosoof of wetenschapper avant la lettre was. Natuurlijk wordt religie soms gebruikt als verklaringsmiddel, maar dat betekent nog niet dat religie ontsproten is aan de poging om de werkelijkheid te verklaren. Het is niet omdat elektriciteit wordt gebruikt om treinen te doen rijden, dat elektriciteit ontstaan zou zijn vanuit de poging om treinen te doen rijden.

De prehistorische mens kende bedreigingen zoals andere dieren: natuurrampen, roofdieren, ziektes… Archeologische vondsten wijzen uit dat er echter ook een andere, meer specifieke bedreiging opdook voor de prehistorische mens: het probleem van escalerend dodelijk geweld onder soortgenoten, zowel binnen als tussen gemeenschappen. Bij onze naaste verwanten, de apen, kunnen we op zeldzame ogenblikken waarnemen hoe er bij uiterst sociale dieren soms een einde komt aan intern groepsgeweld. In de documentaire Clever Monkeys geeft David Attenborough onder andere commentaar bij een uit de hand gelopen rivaliteit om macht in een groep ceylonkroonapen (makaken):

“Er is een groepslid gedood tijdens een gevecht. Hij was de leider. Het was een strijd om controle over de groep. De dieren zijn ongewoon kalm terwijl ze zich rond het lijk verzamelen. De triomferende nieuwe leider slaat het tafereel gade vanop een afstand. Zijn verwondingen worden genegeerd. Sommige groepsleden die mede verantwoordelijk zijn voor de neergang van de oude leider zijn nu teder en respectvol tegenover hem…”

Naar verluidt zijn meer makaken het slachtoffer van soortgenoten dan van roofdieren. Zoals andere onderzoekers observeerde antropoloog David Watts gelijkaardige uitbarstingen van geweld bij chimpansees. Een groep chimpansees staat quasi voortdurend onder druk door interne rivaliteiten. Vooral mannetjes vormen regelmatig veranderende allianties om op te klimmen in de sociale hiërarchie. Daarnaast vormen de dieren geregeld patrouilles die naburige groepen chimpansees of andere apen aanvallen. Een gemeenschappelijke externe vijand blijkt, althans kortstondig, het samenhorigheidsgevoel binnen een groep te versterken, zeker als die vijand gezamenlijk wordt opgepeuzeld.

Bij de grootste groep wilde chimpansees die ooit werd onderzocht, observeerde David Watts vooralsnog een unicum: enkele mannetjes vielen een ander mannelijk lid van de eigen groep aan, en enkele dagen later bezweek dat groepslid in afzondering aan zijn verwondingen. De groep bestond uit meer dan 150 chimpansees. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de dodelijke aanval op een eigen groepslid precies in die groep gebeurde. Ook bij mensen blijken groepen vanaf 150 leden de integratie van sommige individuen te bemoeilijken. Tegelijk nemen interne spanningen nogal eens toe. René Girard veronderstelt dat het bij de prehistorische mens niet anders was. De mimetische (d.i. imitatieve) vermogens bij de mens zijn immers groter dan die van apen, en daardoor kan rivaliteit gemakkelijker escaleren. Aan de ene kant leert de mens beter van anderen door mimesis (imitatie), maar aan de andere kant kunnen mimetische processen in de context van begeerte aanleiding geven tot geweld. Mensen begeren niet alleen vanuit instinct en natuurlijke behoefte, ze kopiëren ook elkaars begeerte en ambitie. In dat opzicht kent de menselijke begeerte geen grenzen, wat vandaag ecologische rampen veroorzaakt. Wie bijvoorbeeld kleren genoeg heeft om enkele winters te overleven, doet vaak toch nog aankopen van winterkledij tijdens solden.

De menselijke identiteit is een combinatie van nature en nurture. Elk mens wordt wel geboren met de behoefte aan water, maar geen enkel mens wordt geboren met pakweg het verlangen om advocaat te worden. Bepaalde begeertes en ambities nemen we in de loop van ons leven over van onze omgeving. De begeerte die berust op imitatie, de zogenaamde mimetische begeerte, leidt tot rivaliteit en geweld als mensen het object van hun begeerte niet kunnen of willen delen. Zelfs als er genoeg van iets is voor iedereen, kan er dus geweld ontstaan. Daarnaast kan de niet-instinctieve, cultureel gevormde begeerte bij de mens soms zo sterk ontwikkeld zijn dat natuurlijke behoeftes worden onderdrukt. Een ziekte als anorexia (het verslavende verlangen aan niet eten) zou bijvoorbeeld niet mogelijk zijn als de mens louter door nature werd gedreven.

Aztec human sacrificeRené Girard wijst erop dat mimetische rivaliteit om voedsel, territorium, vrouwen en macht in prehistorische mensengroepen soms zodanig moet zijn geëscaleerd dat het voortbestaan van die groepen in het gedrang kwam. Mimetische begeerte veroorzaakt, met andere woorden, een soms allesvernietigende verdeeldheid in een groep (een situatie van “allen tegen allen”). Een ander mimetisch proces kan een complete desintegratie van een groep echter voorkomen: de door imitatie van bondgenoten verkregen eenheid tegen een gemeenschappelijke vijand (een situatie van “allen tegen een”). Girard gaat ervan uit dat de prehistorische aapmens veel vaker het gebeuren van verenigend en kalmerend (zie hoger) groepsgeweld moet hebben ervaren dan apen dat doorgaans ervaren, precies wegens een groter mimetisch vermogen. Daardoor wordt het doden van een gemeenschappelijk slachtoffer uiteindelijk als een oplossing voor allerlei spanningen en problemen ervaren, en beginnen aapmensen dat met opzet te doen. Volgens René Girard ligt daar de breuklijn tussen apen en mensen: in prehistorische mensengroepen wordt het doden van een slachtoffer geritualiseerd in offergeweld, terwijl apen geen offer(ritueel) ontwikkelen. Het zou toch wel heel toevallig zijn dat de oudste offerrituelen opzettelijk de structuur aannemen van wat apen soms spontaan ervaren. De oorsprong van het offerritueel zoeken in gelijkaardige ervaringen bij onze voorouders, de aapmensen, is dus allesbehalve vergezocht. Bij de oudste offerrituelen beginnen leden van een gemeenschap opzettelijk met elkaar te vechten, waarna het offer wordt gebracht, vanuit de overtuiging dat heel dat gebeuren voor orde en vrede zorgt (zie Tinku).

René Girard benadrukt in zijn werk keer op keer dat er een vergissing ten grondslag ligt aan het ooit wijdverspreide geloof in de werking van offers. Slachtoffers van groepsgeweld krijgen bij de prehistorische mens, via associatie, verkeerdelijk een dubbelzinnige betekenis: de levende aanwezigheid van een slachtoffer betekent geweld (wanorde), terwijl de dode aanwezigheid van dat slachtoffer vrede (orde) betekent. In werkelijkheid is het slachtoffer natuurlijk niet schuldig aan het geweld, noch aan de vrede. Mimetische processen zijn de ware oorzaak van verdeeldheid en eenheid binnen een groep. Hoogstens is het slachtoffer een van de vele deelnemers aan het spel van mimetische rivaliteit, maar is het lang niet exclusief verantwoordelijk voor die rivaliteit. Met andere woorden, het slachtoffer is een zondebok: het wordt onterecht schuldig bevonden aan een desintegratie van de groep waarvoor het niet, of slechts gedeeltelijk, verantwoordelijk is. Zodra die dubbelzinnige betekenis evenwel ontstaan is, wordt een nieuwe uitbraak van geweld geïnterpreteerd als de spokende, opnieuw “levende” aanwezigheid van een eerder geslachtofferde persoon die zogezegd verantwoordelijk is voor geweld. Met andere woorden, aapmensen beginnen geweld als de aanwezigheid van een onzichtbare persoon te ervaren, terwijl apen dat niet doen. Op die manier wordt het geloof in geesten en goden geboren. Tegelijk beginnen aapmensen de gewelddadige aanwezigheid van de zogezegde geesten en goden tegen te werken door opnieuw een slachtoffer te doden: geritualiseerd offergeweld aan de goden moet het taboe op de gewelddadige goddelijke toorn in stand houden. Kortom, geweld wordt een sacraal fenomeen. Het offer maakt van geweld een geoorloofde, gecontroleerde weldaad tegen de ongeoorloofde, mogelijke werkelijkheid van oncontroleerbaar geweld.

Vandaag geloven velen niet meer in de effectiviteit van archaïsch religieuze (offer)rituelen. Het is een illusie dat regendansen zorgen voor regen. Het is een illusie dat het offeren van zogezegd behekste personen een oplossing vormt voor epidemieën. Vertoornde geesten en goden bestaan voor velen niet meer als oorzaken van natuurrampen en ziektes. René Girard toont overtuigend aan hoe het zondebokmechanisme het verborgen fundament kan vormen voor het traditionele geloof in allerlei geesten, goden, taboes en rituelen. Zijn cultuurtheorie is dan ook in de eerste plaats te begrijpen als een fundamenteel atheïsme: hoe uiteenlopend religies zich ook hebben ontwikkeld, ze zijn allemaal gebaseerd op dezelfde leugen omtrent slachtoffers van een specifiek soort geweld in de prehistorie. Religies zijn sindsdien gekomen en gegaan, maar de verkeerde associaties aangaande geweld zijn blijven bestaan. De traditionele goden zijn, wegens hun associatie met verdelend en verenigend geweld, ambigu zoals de zondebokken waaruit ze zijn geboren. Ze zijn gevreesd en bewonderd, gehaat en geliefd, ongewild en gewenst, schurk en held, monster en redder, vergif en medicijn, taboe en toch aanwezig gesteld via (offer)rituelen.

Vanuit de stelling dat geweld het eerst gesacraliseerde verschijnsel werd, voorspelt de mimetische theorie dat aan elkaar verwante verschijnselen in verschillende religies op verschillende manieren worden gesacraliseerd, precies omdat ze in verband worden gebracht met geweld. Dat blijkt wel degelijk het geval te zijn.

Gesacraliseerde natuurverschijnselen als gevolg van de sacralisering van geweld

Animistische religies sacraliseren de natuur: er bestaan, bij dat soort religies, over heel de wereld diverse taboes en rituelen rond natuurverschijnselen. Het verband tussen de wereld van de natuur en de wereld van het geweld is niet ver te zoeken. Bosbranden, aardbevingen, wervelwinden en overstromingen hebben allemaal een potentieel vernietigende impact op de sociale structuur van een gemeenschap. Zoals hoger reeds werd aangegeven (zie de uitleg over Tinku), kunnen natuurrampen bijvoorbeeld een slechte oogst veroorzaken, waardoor een gewelddadige strijd om voedsel en water kan losbarsten.

Theodoor Rombouts (1597-1637) - PrometheusNatuurverschijnselen moeten volgens de overtuigingen van oude culturen op een geritualiseerde manier benaderd worden opdat ze positieve uitwerkingen zouden hebben. De toe-eigening van sacrale natuurelementen buiten een rituele context, is taboe omdat het nadelig zou zijn op sociaal vlak. De Griekse mythe over Prometheus die het vuur steelt van de goden en die vervolgens – bij wijze van straf – wordt verbannen en moet lijden, benadrukt bijvoorbeeld de sacralisering van zowel een natuur- als een sociaal verschijnsel: het vuur is goddelijk, en de maatschappelijke hiërarchie in de wereld is goddelijk. Wie het vuur zomaar gebruikt, creëert een oncontroleerbaar gevaar. Op een geritualiseerde manier het vuur laten smeulen door bijvoorbeeld te roken, transformeert het potentieel vernietigende sacrale vuur daarentegen in iets vruchtbaars. Sommige culturen kennen de zogenaamde “vredespijp”. Daarnaast moet in oude culturen ook het respect voor de bestaande hiërarchie voor vrede en orde zorgen. Het kastensysteem van het hindoeïsme vormt een bekend voorbeeld daarvan. Het wordt gerechtvaardigd op basis van de mythe over het offer van Purusha, een goddelijke reus (klik hier om een Engelse vertaling te vinden van Purusha Mandalade Vedische tekst van de mythe over Purusha). In dergelijke systemen is het taboe om te begeren wat aan een andere stand toebehoort. Die mimetische begeerte zou immers voor destabiliserende rivaliteit zorgen. Wie in het hindoeïsme de goddelijke orde respecteert, bouwt goed karma op (voor alle duidelijkheid: karma is het geheel van menselijke handelingen die al dan niet in overeenstemming zijn met dharma, de kosmische goddelijke orde op micro- en macrovlak). Wie dat niet doet, wordt in een later leven gestraft.

Het is niet verwonderlijk dat Karl Marx (1818-1883) religie de “opium van het volk” noemde. Volgens hem was religie het middel bij uitstek waarmee de onderdrukte mens zichzelf troostte in de hoop op een beter leven na dit leven, waardoor die ook zijn huidige positie in de samenleving aanvaardde. Overtredingen van het respect voor de hiërarchie zijn in traditioneel religieuze culturen dan ook alleen toegelaten op gezette tijden en plaatsen, telkens in de context van rituelen (zoals carnavalsfeesten).

Gesacraliseerde ziektes als gevolg van de sacralisering van geweld

Hamatsa ShamanOok ziektes worden vanouds in verschillende religies gezien als verschijnselen die afkomstig zijn van geesten of goden. Alweer is het verband tussen de wereld van ziektes en de wereld van het geweld niet ver te zoeken: beide verschijnselen hebben soms de dood tot gevolg, en beide verschijnselen kunnen zich “als een lopend vuurtje” in een gemeenschap verspreiden. Het imitatieve geweld van wraak en wederwraak kan even besmettelijk zijn als een epidemie. Epidemieën zijn natuurlijk taboe omdat ze een uiterst negatieve impact hebben op gemeenschappen. Koortsdromen in de context van sjamanistische ceremonieën of initiatierituelen worden dan weer wel als positieve krachten beschouwd.

Bruce Parry and KombaiDocumentairemaker Bruce Parry bezocht de Kombai, een volk in Papoea-Nieuw-Guinea, en hoorde hoe oeroude overtuigingen over ziektes nog altijd springlevend konden zijn. Als iemand ziek wordt, zoeken de Kombai de oorzaak van de ziekte bij een kwade geest, de zogenaamde Khakua-Kumu. Die behekste figuur is een klassieke zondebok, verantwoordelijk geacht voor een dodelijk verschijnsel waarvan de werkelijke oorzaak elders ligt. Een lid van een Kombai-stam vertelde aan Bruce Parry het volgende over zijn ervaringen met een Khakua-Kumu:

“Vorig jaar lag mijn jongste broer op sterven. Ik vroeg hem ‘Wie had je te pakken?’, en hij gaf mij een naam. Ik huilde uit liefde voor mijn broer toen hij stierf. Ik nam mijn boog en vertelde een van de ouderen over de Khakua-Kumu. Hij zei dat ik die man mocht vermoorden. Ik vermoordde hem en droeg hem op mijn schouder. Op weg naar huis besloot ik hem niet op te eten. Ik heb vroeger reeds twee mensen opgegeten, en daarom dacht ik het deze keer hierbij te laten. Ik zou opnieuw doden. Als een Khakua-Kumu een van mijn broeders doodt, dan zal ik die man doden. Als hij van een andere stam komt, dan zal ik hem doden en zelf opeten. Als hij van bij ons komt, dan zal ik hem aan anderen van mijn stam geven om op te eten.”

In het verhaal van die man valt eerst en vooral op hoe empathie soms in de weg staat van een algemenere naastenliefde: hoe meer het stamlid zich verbonden voelt met sommige mensen van zijn eigen clan, hoe minder liefde hij blijkbaar kan ontwikkelen voor de zogenaamde vijanden van die clan. Voorts is het opmerkelijk dat een Khakua-Kumu van de eigen stam op een andere manier geofferd wordt dan de Khakua-Kumu die afkomstig is van een andere stam: de eerste wordt verdeeld onder de stamgenoten en opgegeten, de laatste wordt alleen door de offeraar eventueel opgegeten. In het eerste geval bestaat natuurlijk de kans dat er spanningen in de stam ontstaan omdat de geofferde misschien vrienden en bondgenoten heeft. Daarom wordt iedereen uitgenodigd voor de kannibalistische maaltijd. Op die manier wordt iedereen medeplichtig gemaakt aan het offer, en geeft iedereen ook impliciet zijn fiat ervoor. Dat moet de samenhorigheid versterken. In oude culturen is de bedoeling van een offer, niet te vergeten, het herstel of de bestendiging van orde en vrede. Een Khakua-Kumu van een andere stam heeft geen bondgenoten in de eigen stam, en dus is het ook niet nodig om hem gezamenlijk te verorberen als teken van eendrachtigheid.

Gesacraliseerde adolescentie als gevolg van de sacralisering van geweld

Behalve natuurverschijnselen en ziektes, wordt verder onder andere de adolescent als een sacraal verschijnsel beschouwd in typisch archaïsch religieuze culturen. Dat betekent, opnieuw, dat de adolescent taboe is, tenzij die via zogenaamde inwijdingsrituelen (initiatierituelen) een plaats krijgt in de gemeenschap. Ook in het geval van de adolescent ligt het verband met de wereld van het geweld voor de hand: vooral jongere opgroeiende mannen hebben de neiging om het gezag en de macht van ouderen in vraag te stellen, waardoor ze voor onhoudbare spanningen kunnen zorgen in traditioneel hiërarchisch gestructureerde gemeenschappen. Bij apen en mensapen zie je iets gelijkaardigs: sterker wordende jonge mannetjes binden geregeld de strijd aan met de heersende alfa-mannetjes. Die jonge mannetjes begeren immers dezelfde status en machtspositie als de oudere. Onze voorouders hebben blijkbaar taboes, rituelen en mythen ontwikkeld om dat soort rivaliteit zoveel mogelijk af te wenden. Adolescente jongens worden vaak afgezonderd van de gemeenschap (ze zijn tijdelijk taboe), en moeten dan een periode van beproevingen doorstaan (het eigenlijke initiatieritueel met het “offer” van hun oude, kinderlijke identiteit), waarna ze opnieuw verwelkomd worden om op een vruchtbare manier de aloude sociale orde te verzekeren (hun “wedergeboorte” als volwaardige leden van de gemeenschap). Van potentieel gevaarlijke “monsters” en “lelijke jonge eendjes” worden ze, via hun opofferingen en ontberingen tijdens het inwijdingsritueel, veranderd in “redders” en “behoeders” van de gemeenschap.

Sambia Initiation RitualEen berucht geworden voorbeeld van een adolescentieritueel is het inwijdingsritueel bij de Sambia. Antropoloog Gilbert Herdt werd op slag beroemd toen hij zijn onderzoek ervan publiceerde. Seksuologe Lee Wallace vat de bevindingen van Herdt samen in een artikel voor het boek Gay Life and Culture: A World History [Wallace, L. (2006). Discovering Homosexuality: Cross-Cultural Comparison and the History of Sexuality. In Robert Aldrich (Eds.), Gay Life and Culture: A World History, (pp. 248-269). London: Thames & Hudson Ltd. – vertaling: André Abeling, Gert Hekma, Huub Stegeman en Joost Zwart, 2006, p. 250]:

“Herdt heeft school gemaakt met zijn onderzoek naar seksuele rituelen bij de Sambia, een van de hooglandstammen van Nieuw-Guinea, doordat hij op voorbeeldige wijze inzicht geeft in een masculiene ideologie waarin homoseksueel gedrag belangrijk is omdat seksuele inwijding van jongens door oudere jongens er een noodzakelijk onderdeel van de ontwikkeling tot man is. Herdt vertelt ons dat jonge jongens bij de Sambia fellatie leren bedrijven bij oudere vrijgezellen om zo het zaad te verkrijgen en in te slikken dat ze nodig hebben om tot fysiek sterke, sociaal volwassen en reproductief competente mannen uit te groeien. De jongens wonen in het mannenhuis van de stam en beginnen met tien jaar aan het geheime initiatieproces en gaan op hun vijftiende over op de rol van zaaddonor voor jongere jongens. Weer later krijgen deze jonge vrijgezellen seksuele relaties met vrouwen als onderdeel van hun sociale leven. Bij de Sambia zijn homoseksuele relaties dus geen afwijking van de normale seksuele en sociale ontwikkeling, maar een noodzakelijk onderdeel van de rite de passage naar volwassenheid, die uiteindelijk als exclusief heteroseksueel wordt beschouwd.”

initiation ritual Xhosa manhood circumcisionUit de laatste zin van het zopas geciteerde fragment blijkt dat ook homoseksualiteit wordt gesacraliseerd in de cultuur van de Sambia. Daarin vormt ze lang geen uitzondering tegenover andere culturen. Het verband met geweld als verklaring hiervoor lijkt iets minder evident, tenzij we de associaties van naderbij bekijken die culturen zélf maken. Bij de Sambia is homoseksualiteit taboe, tenzij ze plaatsvindt in de context van een adolescentieritueel. Voor de mannelijke adolescent geldt hetzelfde: hij is taboe, tenzij hij via een ritueel met homoseksuele praktijken uiteindelijk een “plaats vindt” in de gemeenschap van de Sambia. Homoseksualiteit wordt in dit geval, met andere woorden, verbonden met een mogelijke bron van geweld: de adolescent (zie hoger)! Gelijkaardige gebruiken komen ook voor op andere plaatsen in de wereld, bijvoorbeeld bij de Ndembu en andere Bantoe-volken in Centraal-Afrika. Ook de Xhosa in Zuid-Afrika kennen een keihard initiatieritueel voor jonge mannen, waarbij besnijdenis wordt gevolgd door een langdurige afzondering in een mannenverblijf. Het is een gevaarlijk ritueel waarbij regelmatig jongens het leven laten. In 2017 verscheen daarover de controversiële film Inxeba.

Gesacraliseerde “spiegelfenomenen” als gevolg van de sacralisering van geweld

All is Vanity (Charles Allan Gilbert - 1892)Op een algemener niveau kunnen we stellen dat mimetische fenomenen – zoals homoseksualiteit (de verdubbeling van hetzelfde geslacht), spiegels en tweelingen (telkens een soort verdubbeling van dezelfde identiteit) – worden gesacraliseerd voor zover ze gelinkt worden aan geweld of aan een potentiële destabilisering van een gemeenschap. Het is bekend dat honden, katten en andere dieren hun spiegelbeeld dikwijls zien als de verschijning van een angstwekkend rivaal. In plaats van zichzelf te herkennen, vallen ze dat “mimetische rivaal” soms aan, wat voor hilarische taferelen zorgt. Het is allesbehalve vergezocht dat de sacralisering van “spiegelfenomenen” precies daarin haar oorsprong zou vinden. Dubbelgangers worden ervaren als mogelijke rivalen van elkaar, als broeihaarden van spanningen en geweld. Het is dus geen toeval dat tweelingen in veel archaïsche culturen taboe zijn, tot vandaag. In sommige culturen worden ze bij de geboorte onmiddellijk gedood. In andere worden ze geofferd tijdens crisissituaties; ze worden, anders gezegd, geduld in de mate dat ze op een rituele manier kunnen worden uitgebuit (klik hier om meer informatie te vinden over tweelingen en andere “spiegelfenomenen” aan de hand van een bespreking van de film Black Swan).

Sacralisering van koningschap en dieren als gevolg van de sacralisering van geweld

Belangrijker dan tweelingen, en misschien ook dan adolescenten, zijn koningen in archaïsch religieuze samenlevingen. Ook de koning en zijn positie worden traditioneel gesacraliseerd. Hij is de behoeder en hoeksteen van een vruchtbare orde binnen de gemeenschap. De wereld van de archaïsch religieuze koning is, als een wereld waarin gangbare taboes geregeld worden overtreden, taboe en zijn positie verdient respect. Zijn wereld mag alleen op een geritualiseerde manier worden benaderd. Hij belichaamt als het ware de wereld van het geweld zelf. Als de gemeenschap dan toch in een crisis terechtkomt, moet die “wereld van het geweld” in haar midden opnieuw taboe worden. Dat kan dan vaak alleen door de zogenaamde “belichamer van het geweld” op een ultiem geritualiseerde manier aanwezig te stellen: als offer belichaamt de koning niet langer het ongeoorloofde geweld dat desintegreert, maar wordt hij het geoorloofde geweld dat zogezegd redding brengt.

Voor feitenmateriaal betreffende het voorgaande zij onder andere verwezen naar het werk van Simon Simonse. Die Nederlandse antropoloog publiceerde een monumentale studie over de zogenaamde “zondebokkoningen” in zuidoostelijk Soedan (Simon Simonse, Kings of Disaster. Dualism, Centralism and the Scapegoat King in Southeastern Sudan. Kampala: Fountain Publishers, 2017 – eerst gepubliceerd in 1992, als vijfde volume in de serie Studies in Human Society, door E.J. Brill, Leiden). Daaruit blijkt alvast de inderdaad dubbelzinnige positie die koningen in archaïsche samenlevingen bekleden, en hoe zij in aanmerking komen om in tijden van crisis te worden geofferd.

Simon Simonse Kings of Disaster front cover

Simon Simonse Kings of Disaster 2

Niet toevallig beschouwt René Girard de eerste vormen van koningschap als “uitgestelde offers”, die in crisissituaties toch nog konden worden geofferd. Dierenoffers, waarmee de domesticatie van een aantal dieren gepaard ging, beschouwt hij dan weer als vervangingen van mensenoffers. Bij mensenoffers bestaat immers nog altijd het gevaar dat het offer niet leidt tot vrede, maar dat bondgenoten van de geofferde persoon in opstand komen (zie hoger de opmerkingen bij de zogenaamde Khakua-Kumu). Het “vermenselijken van dieren”Sacred Cow India die dan als offers kunnen dienen (en dus worden gesacraliseerd), blijkt een goed alternatief voor mensenoffers (zie als voorbeeld de berenceremonie bij de Japanse Ainu). Voorts mogen in sommige culturen bepaalde dieren niet worden geofferd of gegeten, en lijken ze wel “wandelende rituelen” (zie bijvoorbeeld het fenomeen van “heilige koeien” in India).

Gesacraliseerde seksualiteit als gevolg van de sacralisering van geweld

Een laatste belangwekkend fenomeen dat in oude culturen over de hele wereld wordt gesacraliseerd, is de seksualiteit, in het bijzonder de vrouwelijke. Het verband tussen de wereld van de seksualiteit en de wereld van het geweld is gemakkelijk gelegd: in de dierenwereld vechten mannetjes om wijfjes tijdens het paringsseizoen, en ook mensen kennen dat soort gewelddadige rivaliteiten. Als sacraal fenomeen in oude culturen is seksualiteit taboe, tenzij ze wordt beoefend in de context van rituelen.

George Catlin, Dance to the Berdash, 1835-1837, oil on canvas, Smithsonian American Art Museum, Gift of Mrs. Joseph Harrison, Jr., 1985.66.442In sommige van die culturen bestaat zoiets als een zogenaamde “derde sekse”: mannen of vrouwen die zich kleden als de andere sekse, en gedragingen stellen die in hun respectieve culturen als behorend tot die andere sekse worden beschouwd. De oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika kennen de zogenaamde berdache, ook wel “persoon met twee zielen” genoemd. Rituele dansen voor de berdache herinneren aan zijn dubbelzinnig karakter, enerzijds als belichaming van een potentieel gewelddadig fenomeen (seksualiteit), en anderzijds als belichaming van een vruchtbare ritualisering van datzelfde fenomeen. Lee Wallace verwijst in dat verband naar een observatie van George Catlin (in het reeds aangehaalde artikel, zie hoger). In 1835 was die getuige van de ceremoniële dans voor de berdache bij de Sauk en Fox. Stamgenoten verzamelden zich rond de berdache en plaagden hem, terwijl ze ook zijn aandacht verlangden. Aandacht krijgen van een berdache gold als een eer. Op andere plaatsen in de wereld, zoals in Azië en Oceanië, komen gelijkaardige figuren als de berdache voor – de Tahitiaanse mahu, bijvoorbeeld. Lee Wallace schrijft daarover het volgende (ibid., p. 265):

“… oude verslagen van Europese reizigers die over de Grote Oceaan voeren, verhalen over … figuren die de geslachtsgrens oversteken op Samoa, Tonga en de Marquesa Eilanden. Net als de Tahitiaanse mahu gelden deze figuren (respectievelijk fa’afafine, fakaleiti en mahui) als leden van een derde geslacht, en hun toename in het postkoloniale Oceanië wordt vaak verbonden met veranderingen in de traditionele seksuele relaties tussen de geslachten, vooral als gevolg van de toegenomen controle op de vrouwelijke seksualiteit door de kerstening. Deze vrouwelijke en (in uiteenlopende mate) als travestiet te bestempelen mannen verlenen seksuele diensten aan mannen die zichzelf als masculien beschouwen, meestal in de vorm van fellatie… Omdat er geen seksueel etiket wordt geplakt op de mannen die zich zo laten bevredigen en die zelf niet de geslachtsgrens overschrijden, kan de seksuele rol die de persoon van het derde geslacht speelt als stabiliserend worden gezien in de potentieel beladen relaties tussen mannen en vrouwen in een cultuur waarin de maagdelijkheid van de vrouw erg belangrijk is en de seksuele toegang van mannen tot vrouwen strikt geregeld is.

De laatste zin van het voorgaande citaat plaatst de sociale aanvaarding van “personen van het derde geslacht” in traditionele culturen duidelijk in de context van een ritualisering van de seksualiteit die mogelijk geweld moet verhinderen. Personen van de derde sekse worden niet voor niets tot de behoeders van hun traditionele cultuur gerekend.

Andere archaïsche ritualiseringen van seksualiteit zijn pijnlijker. De reeds vermelde documentairemaker Bruce Parry trok bijvoorbeeld naar de Dassanech in Ethiopië en moest vaststellen dat (vrouwelijke) seksualiteit taboe was bij hen, tenzij jonge vrouwen het ritueel van de besnijdenis ondergingen en op die manier toegang kregen tot het huwelijksritueel. Alleen in die geritualiseerde settingen was een overtreding van het taboe op seksualiteit toegelaten. Hierna volgt een fragment uit het verslag van Parry, waarbij een soort priesteres beschrijft waarom de Dassanech de praktijk van vrouwelijke genitale verminking blijven beoefenen:

Bruce Parry: “Een van de vrouwen die de meisjes besnijdt is aangekomen in het dorp. Ik zal er niet meer bij zijn op het moment dat de ceremonie plaatsvindt. Vandaar dat Bunta uitbeeldt wat ze enkele weken later zal doen.”

Bunta: “Hou haar stevig vast… Doe alsof je huilt…”

Bruce Parry: “Enkele van de meisjes die reeds besneden zijn komen erbij.”

Bunta: “Dit is een helft… Dit is de andere helft… Dit is de clitoris, breng me een beetje water…”

Bruce Parry: “Ze doen maar alsof, maar het echte gebeuren verandert voor altijd het leven van vrouwen.”

Bunta: “Besnijdenis is onze cultuur… Als we onze cultuur stoppen, zullen we allemaal sterven.”

Bruce Parry: “Er wordt mij gezegd dat ze niet kan trouwen als ze niet besneden wordt, en dat ze dan uit de stam gestoten zal worden.”

Bunta: “Als een vrouw met een clitoris bevalt, zullen zij, haar kind, en iedereen sterven. Haar clitoris zal door haar hoofd heen groeien. De clitoris zal uit haar neus komen, en daarna weerkeren in haar hoofd. Het zal haar doden, ze zal sterven. Haar vader zal sterven, haar moeder zal sterven. Daarom kunnen we niet stoppen met vrouwenbesnijdenis.”

Dat ook in dit geval een zondebokmechanisme aan het werk is, is evident: onbesneden jonge vrouwen worden beschuldigd van groteske absurditeiten waaraan ze geenszins schuldig kunnen zijn. Een verslag van de Europese campagne om een einde te maken aan FGM, female genital mutilation (www.endfgm.eu) verraadt bovendien een seksistische redenering aangaande mogelijke rivaliteit tussen mannen die dezelfde vrouw begeren. Het verslag wijst uit dat genitale verminking van vrouwen in verschillende culturen vandaag nog wordt verdedigd omdat het seksueel genot van vrouwen daardoor zou verminderen. Dat zou op zijn beurt de kans op overspel door vrouwen verkleinen, waardoor ten slotte een bron van mogelijke spanningen tussen mannen in de gemeenschap wordt ingedijkt.

In tegenstelling tot het adolescentieritueel, waarbij het mogelijke subject van mimetische begeerte en rivaliteit wordt gesacraliseerd, wordt in het geval van de ceremonie van de vrouwenbesnijdenis het mogelijke object van mimetische begeerte en rivaliteit gesacraliseerd. Dat maakt van de vrouw een ultieme zondebok: niet de mannen worden opgeroepen om hun begeertes en onderlinge rivaliteiten in toom te houden, maar vrouwen worden verantwoordelijk gesteld voor het eventuele geweld dat eigenlijk van mannen uitgaat, en waarvan ze zelf het slachtoffer kunnen worden. Het is genoegzaam bekend dat in sommige culturen ook de hoofddoek op die manier functioneert: de vrouw als object van begeerte is taboe, en zij mag mogelijke lust van en rivaliteit tussen mannen zogezegd niet “uitlokken”.

Sacralisering van voedsel en territorium als gevolg van de sacralisering van geweld

Kosher CowVaak kennen culturen ook een sacralisering van voedsel of territorium. Spijswetten maken sommig voedsel tot taboe, terwijl “etiquetteregels” het nuttigen van voedsel “ritualiseren”. Daarnaast kennen culturen ook hun “sacrale plaatsen” (van grafmonumenten tot plaatsen waar geesten of goden zouden huizen). Het verband met de wereld van het geweld is alweer evident: voedsel en territoria kunnen, zoals vrouwen (zie hoger), objecten zijn van uit de hand gelopen gewelddadige rivaliteit.

Gilles de Binche CarnivalDe gewelddadige oorsprong van de sacralisering van allerlei verschijnselen werd in de loop van de geschiedenis dikwijls vergeten. Hedendaagse resten van oeroude taboes en rituelen tonen niet altijd direct meer een band met geweld. Toch blijven bekende hedendaagse rituelen vaak impliciet verwijzingen naar geweld bewaren. Carnavalsrituelen eindigen traditioneel met een “popverbranding”, wat eigenlijk een offermoment is. Welnu, hoe verder je teruggaat in de tijd, hoe gewelddadiger dergelijke rituelen worden, tot je terechtkomt bij de verre Tinku Carnivalvoorouders van die rituelen: mensenoffers. Zoals bij hedendaagse carnavalsfeesten wordt het offermoment van oudere festivals voorafgegaan door een geritualiseerde sociale crisis. Festivals als de Tinku (zie hoger voor een bespreking) zijn “levende fossielen” die iets van de culturele evolutie tonen waaruit een feest als carnaval uiteindelijk voortkomt.

De hardnekkige fundamenten van immer vernieuwde “religieuze structuren”

In grote delen van de wereld mogen de hierboven beschreven religieuze gebruiken dan wel verdwenen zijn, de menselijke eigenschappen die eraan de basis van liggen zijn springlevend en creëren soms nieuwe “religieuze” en “sacrale” fenomenen, zelfs los van een verwijzing naar geesten of god(en). De zelfkritische blik van spirituele figuren op de misleidende fundamenten van hun eigen religieuze cultuur, blijft dan ook relevant voor wie niet tot die cultuur behoort, precies omdat die zelfkritiek betrekking heeft op de universeel menselijke eigenschappen die telkens nieuwe “religieuze structuren” genereren (ook in zogenaamde tijden “zonder god”!).

Elke religieuze traditie kent een zelfkritische, spirituele onderstroom, maar volgens denkers als Dietrich Bonhoeffer (1906-1945), René Girard (1923-2015) en Slavoj Zizek (°1949) komt de meest radicale kritiek op de fundamenten van “klassiek religieus denken” uit de joods-christelijke traditie. Bonhoeffer en Girard zijn ervan overtuigd dat de joods-christelijke traditie daardoor openbaart wie God werkelijk is, terwijl Zizek het christelijk verhaal beschouwt als het meest grondige atheïsme. Beide posities kunnen in bepaalde opzichten “mystiek” worden genoemd.

[EEN PPT OVER SPIRITUALITEIT IN RELIGIES, O.A. “FACEBOOKRELIGIE”]

II. Koning Oedipus versus Christus Jezus, koning “van een andere wereld”

Terroristen hebben niet per definitie een verwijzing naar een goddelijke autoriteit nodig om een onderscheid te maken tussen zogezegd “gerechtvaardigd” en “ongerechtvaardigd” geweld. Soms verwijzen ze wel naar een goddelijke autoriteit, andere keren niet. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de seksistische terreur die vrouwen vaak ondervinden.

The Accused (film poster)Godsdienstige patriarchale samenlevingen beschouwen geëmancipeerde, vrijpostige vrouwen vaak als overtreders van goddelijke taboes. Die vrouwen lijken een bedreiging voor de stabiliteit in de samenleving. Ze zouden het straffende geweld dat hen te beurt valt dan ook zelf uitlokken. Als ze het slachtoffer worden van eerwraak, of van een verkrachting, dan is dat volgens de klassieke redeneringen in typisch godsdienstige mannenmaatschappijen gerechtvaardigd. Mannen beschouwen zichzelf in dat geval als louter instrumenten van “goddelijke toorn”. Het fenomeen van blaming the victim komt echter ook in niet-godsdienstige contexten voor. Een bekend voorbeeld – waarvan er jammer genoeg veel andere te geven zijn – is de zaak van de Amerikaanse Cheryl Ann Araujo (1961-1986). Zij werd in 1983 het slachtoffer van een groepsverkrachting. De advocaten van de verdediging suggereerden tijdens het proces dat ze de brutale aanval van haar verkrachters ergens had “verdiend” of “opgewekt”. De speelfilm The Accused, met Jodie Foster in de hoofdrol, is losjes gebaseerd op haar verhaal.

Jerry Falwell 9-11Sommige zogenaamd christelijke middens ontsnappen eveneens niet aan de verleiding om de verantwoordelijkheid voor geweld bij de slachtoffers van dat geweld te leggen. Berucht zijn de uitspraken van de bekende Amerikaanse evangelicals Jerry Falwell (1933-2007) en Pat Robertson (°1930) twee dagen na 9/11 (klik hier voor meer). Volgens hen ontwrichten feministische groeperingen, burgerrechtenbewegingen, vakbonden en LGBT-activisten de Amerikaanse samenleving. Al die organisaties stellen klassieke hiërarchische structuren en rolpatronen in vraag. Ze overtreden, met andere woorden, taboes die door Falwell en Robertson noodzakelijk worden geacht om orde te creëren. De aanslagen van 9/11 beschouwen die twee mannen, verrassend misschien, dan ook als middelen waarlangs “de wraak van God” zich manifesteert.

Het is diep tragisch en ironisch dat zelfverklaarde christelijke gemeenschappen zich in de loop van de geschiedenis hebben overgegeven aan redeneringen die gruwelijk geweld en offers rechtvaardigen (van kruistochten tot heksenverbrandingen). Dat ligt echter niet aan het christelijk verhaal zelf, wel integendeel. Dat ligt aan neigingen die ieder mens kent.

De joods-christelijke traditie vernietigt eigenlijk de klassieke rechtvaardigingen voor het onderhouden van allerlei taboes en rituelen. Ze vernietigt de mythologie – in deze context te definiëren als de verzameling van verhalen die mensen zichzelf vertellen om een onderscheid te maken tussen “geoorloofd” en “ongeoorloofd” geweld (een onderscheid dat ten grondslag ligt aan eigensoortige culturele taboes en rituelen binnen een samenleving). Als zodanig geeft de joods-christelijke traditie kritiek op élke cultuur, of ze zichzelf nu seculier noemt of godsdienstig, niet-christelijk of christelijk. Ze geeft ook kritiek op élk individu, of dat individu zich nu atheïstisch noemt of niet.

Dat het probleem van menselijke gemeenschappen bij geloof of een gebrek eraan zou liggen, is telkens een uiterst oppervlakkige overweging, die opnieuw vervalt in “klassiek religieus denken” – met een rechtvaardiging van “offergeweld” om “oncontroleerbaar geweld” te vermijden. In beide scenario’s zoeken respectieve voorstanders naar een mogelijke “bron van geweld” die moet worden “geofferd” om de vrede en orde in een samenleving te bewaren. De enen zijn overtuigd dat godsgeloof moet verdwijnen, de anderen dat atheïsme best wordt geëlimineerd. De enen plegen bijvoorbeeld geweld tegen moslims en andere gelovigen in hun maatschappij, de anderen tegen zogenaamd “decadente, geseculariseerde kosmopolieten”.

De werkelijke uitdaging voor de mens ligt elders. Ze laat zich al heel vroeg voelen, bijvoorbeeld op een speelplaats met kinderen en jongvolwassenen. Onder andere daar speelde zich het verhaal van Linde af. Zij was een meisje dat op een bepaald moment het slachtoffer werd van venijnige pesterijen door haar voormalige vriendinnen. Alles begon na een zomervakantie. Blijkbaar kreeg Linde plotseling veel positieve aandacht van jongens. Ze liet het zich weliswaar welgevallen, maar ze ging niet onmiddellijk engagementen aan met die jongens – geen langdurige, noch kortstondige. Haar vriendinnen vonden echter dat ze “veranderd” was, dat ze een “aandachtshoer” was, en “dat ze de groepssfeer verziekte” door haar “sletterige geflirt” met jongens. Volgens haar vriendinnen was Linde dus zélf verantwoordelijk voor haar “ballingschap uit de groep”. Ze beëindigden hun vriendschap met Linde.

De voormalige vriendinnen van Linde hadden hun “mythe” klaar op basis waarvan ze hun psychosociale en verbale geweld tegenover haar rechtvaardigden. Een van de meisjes, Lotte, kwam bij een schooluitstap evenwel naast Linde terecht op de bus, en moest vaststellen dat Linde eigenlijk helemaal geen “aandachtshoer” was (althans niet meer dan de andere meisjes), en dat ze nog altijd “same old Linde” bleek. Lotte moest uiteindelijk een pijnlijke waarheid toegeven: ze had de uitsluiting van Linde aanvaard uit angst om haar sociale status te verliezen, én omdat ze heimelijk jaloers was op Linde. De erkenning van die waarheid omtrent haarzelf, maakte Lotte vrij om opnieuw liefde voor Linde te ontwikkelen. Door zichzelf eerlijk in de spiegel te bekijken, herwon Lotte dus niet alleen haar zelfrespect (in plaats van zich masochistisch en auto-agressief op te offeren aan een sociaal aanvaardbaar imago), maar ook haar respect voor Linde (in plaats van deel te nemen aan sadistische vormen van hetero-agressie). Datgene waarvan Linde beschuldigd werd, bleek een leugen. Linde was dus een zondebok. Mimetische processen (van groepsconformisme, gevoed door angst, tot jaloezie en ressentiment) vormden de werkelijke, ware grondslag voor de “sociale kruisiging” van Linde.

De waarheid die Lotte over zichzelf ontdekt, is het soort waarheid waarop Jezus doelt als hij zegt (Joh 8,32b):

“De waarheid zal u vrij maken.”

In het Johannesevangelie verwijt Jezus zijn tegenstanders, enkele van de leiders van zijn Joodse volksgenoten, dat ze “niet doen wat Abraham deed” (Joh 8,39-40). Abraham ontwikkelde een andere visie op God. Aanvankelijk geloofde Abraham dat God mensenoffers verlangde, en was hij zelfs bereid om zijn zoon Isaak te offeren, maar uiteindelijk “ontdekt” hij een God die het mensenoffer weigert (Gen 22).

The_Sacrifice_of_Isaac_by_CaravaggioRecent wetenschappelijk onderzoek bevestigt in dit verband enkele essentiële culturele evoluties die vanuit René Girards mimetische theorie worden voorspeld, onafhankelijk van dat theoretisch referentiekader (klik hier voor een pdf-artikel over het onderzoek uit The Atlantic). Onderzoekers hebben twee grote gegevensbanken over oude culturen verzameld, waarmee nu systematische analyses worden gemaakt. De zogenaamde Pulotu databank slaat informatie op over meer dan 100 traditionele Austronesische culturen. Seshat, een andere databank, bevat informatie over meer dan 400 samenlevingen van over heel de wereld van de laatste tienduizend jaar. De groep die Pulotu bestudeert, bevestigt dat mensenoffers essentieel waren voor samenlevingen die complexer en hiërarchischer werden. De onderzoekers van Seshat beweren dan weer dat niet rede maar wel een andersoortige religie mensen afkeerde van religieus gemotiveerde mensenoffers. In samenlevingen die nóg groter werden en uitgroeiden tot imperia hadden mensenoffers vaak een averechts effect. Volgens de onderzoekers zijn de andersoortige religies die dan opgang maken niet gecentreerd rond de vergoddelijking van een sterfelijke god-koning, maar rond een bovennatuurlijke “grote god”. Die religies waren de voorlopers van de hedendaagse grote, monotheïstische godsdiensten, en de verspreiders ervan protesteerden hevig tegen mensenoffers. De onderzoekers stellen dat die verspreiders ervan overtuigd waren dat God in werkelijkheid walgde van mensenoffers. De joods-christelijke traditie is natuurlijk een van die grote godsdiensten, en in het Genesisverhaal over het verhinderde offer van Isaak komt inderdaad een evolutie in het idee over God aan de oppervlakte: Abraham offert zijn zoon niet meer.

Jezus stelt vast dat zijn tegenstanders, in tegenstelling tot Abraham, het offer van een mens toch willen volbrengen, meer bepaald het offer van Jezus zelf! En ze menen zelfs dat God dat wil! Jezus daarentegen gelooft niet in een God die zijn kruisdood verlangt, en hij maakt dat ook duidelijk aan zijn tegenstanders, zelfverklaarde “afstammelingen van Abraham” (Joh 8,37-42a):

“Natuurlijk bent u afstammelingen van Abraham! Maar toch bent u eropuit om Mij te doden, want mijn woord vindt geen weerklank bij u. Ik verkondig niets anders dan wat Ik bij de Vader heb gezien, en u doet niets anders dan wat u van uw vader hebt gehoord.’ ‘Onze vader is Abraham!’ antwoordden ze. Daarop zei Jezus: ‘Als u werkelijk kinderen van Abraham bent, zou u doen wat Abraham deed. In plaats daarvan bent u eropuit om Mij te doden, iemand nog wel die u de waarheid heeft verkondigd die Hij van God heeft vernomen. Zoiets zou Abraham nooit gedaan hebben. Nee, u hebt een andere vader, en u doet zoals hij.’ – ‘Wij zijn geen onechte kinderen’, antwoordden ze. ‘We hebben maar één Vader, en dat is God!’ ‘Als God uw vader was,’ zei Jezus, ‘dan zou u Mij liefhebben’…”

De schrijver van het Johannesevangelie zal het verhaal, de “mythe” waarmee de tegenstanders van Jezus het offer van Jezus trachten te rechtvaardigen, als een leugen ontmaskeren. Jezus wordt beschuldigd van zaken waaraan hij niet schuldig is. Volgens de evangelist is de menselijke geschiedenis van meet af aan getekend door dat soort bedrieglijke rechtvaardigingen voor offers. De auteur van het Johannesevangelie en de andere nieuwtestamentische schrijvers openbaren daardoor het zondebokmechanisme als het leugenachtige, universele fundament waarop niet alleen klassieke rituelen, taboes en mythes zijn gebaseerd, maar waaruit ook het klassieke geloof voortkomt in goden en geesten die offers zouden vragen om hun “gewelddadige toorn” af te wenden. Kortom, de joods-christelijke traditie ontmaskert de klassieke goden als leugenachtige illusies. In dat opzicht is het kloppende hart van het christelijk verhaal radicaal atheïstisch. Tegelijk laat het ook een God zien die zich als “kwetsbare liefde” te kennen zou geven, als een “barmhartigheid die geen offer wil” (Mt 9,13 in verwijzing naar Hos 6,6).

Een vergelijking tussen de klassieke mythe over Oedipus en het evangelie over Jezus laat duidelijk het verschil zien tussen, aan de ene kant, een verhaal dat de leugen van het zondebokmechanisme in stand houdt en aan de andere kant een verhaal dat de waarheid over klassieke offers openbaart.

De mythe over Oedipus en het evangelie over Jezus

Er alles aan doen om je lot te ontlopen en het net daardoor voltrekken: o, ironie. In sommige gevallen leidt die ironie tot komische situaties, in andere tot tragische verwikkelingen, of “tragikomische”. Ook Oedipus manifesteert het tegenovergestelde van waarop hij doelt: hoe meer hij tegenspartelt en zichzelf probeert te redden, hoe meer hij verstrikt geraakt in het weefsel dat de goden voor hem hebben gesponnen. Geen Ariadne komt hem bevrijden. Oedipus is overmoedig. “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen” (zie onder andere Lc 9,24a), stelt ene Jezus van Nazareth, en daarmee geeft hij het wezen weer van elke menselijke tragedie.

Oedipus heeft de koning (zijn vader) vermoord en diens vrouw (zijn moeder) tot de zijne gemaakt, aanvankelijk zonder het zelf te beseffen. Vanouds hebben samenlevingen de strijd tussen mannen om vrouwen gevreesd, en zeker als het om de vrouw van een gezagsdrager gaat. Als een hiërarchische orde niet wordt gerespecteerd, dreigt immers de chaos van een besmettelijk en oncontroleerbaar geweld.

Dat vrouwen vaak voor problemen zorgen, is een idee dat wijdverspreid is in het culturele geheugen. Het seksisme van patriarchale samenlevingen kent een lange geschiedenis. Alom bekende verhalen stellen vrouwen voor als bronnen van ellende doordat ze levensnoodzakelijke taboes zouden breken: de Bijbelse Eva eet van een verboden vrucht, de Griekse Pandora opent een doos die gesloten moest blijven, Helena ontketent een oorlog tussen Troje en Griekenland. De patriarchale mentaliteit wordt beheerst door het idee dat mannen zich moeten hoeden voor verleidelijke vrouwen, al helemaal als die een ander toebehoren. Daardoor zou de maatschappelijke orde bewaard blijven. Niet toevallig luidt een van de Bijbelse tien geboden (Ex 20,17): “Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren.”

Oedipe et Antigone (Charles François Jalabert – 1842)Ook bij Sophocles is het respect voor de maatschappelijke taboes een goddelijke eis. Overtredingen ervan wekken dan ook goddelijke toorn. In het Thebe van Oedipus veruitwendigt die toorn zich als de pest. De Thebanen zijn er evenwel van overtuigd dat ze die goddelijke, gewelddadige rampspoed kunnen bezweren door het juiste offer te brengen. En wie komt daar meer voor in aanmerking dan Oedipus, de man die op een incestueuze manier een ordelijke samenleving verziekt als koningsmoordenaar en vrouwensteler? Uiteindelijk zal Oedipus de redenering van zijn stadsgenoten volgen en op een heroïsche wijze zijn schuld en boete aanvaarden. Daardoor is de eeuwige, door goddelijke krachten bepaalde orde, alvast tijdelijk opnieuw hersteld. En Oedipus die als een redder is binnengehaald en vervolgens als een monster is verguisd, wordt door zijn zelfopoffering opnieuw redder. Eind goed, al goed.

Dat mythologisch wereldbeeld, waarbij mensen slechts figureren in een scenario dat door hogere krachten wordt geschreven en dat ten allen tijde vastligt, is ook aanwezig in de Bijbel. Tegelijk echter zal, zoals hoger reeds werd gesteld, de joods-christelijke traditie de fundamenten van het mythologische wereldbeeld gaandeweg ontmaskeren en aan de kaak stellen. In het boek Job bijvoorbeeld, wordt het hoofdpersonage door opeenvolgende rampen getroffen. De vrienden van Job trachten hem ervan te overtuigen dat al die ellende onvermijdelijk is en deel moet uitmaken van een of ander goddelijk plan. Ze suggereren zelfs dat Job de goddelijke toorn waarschijnlijk zelf heeft opgewekt. In tegenstelling tot Oedipus volgt Job de redenering van zijn omgeving niet. Hij plaatst fundamentele vraagtekens bij het geloof in de onvermijdelijkheid van een door hogere krachten opgelegd scenario.

In joodse middens breekt het besef door dat de mens zijn lot enigszins in eigen handen kan nemen, zélf zijn levensscenario kan schrijven, en niet zomaar overgeleverd is aan de overweldigende krachten van natuur of fatum (zelfs niet als die krachten op een wetenschappelijke, neodarwinistische manier worden gedefinieerd; vandaar dat Slavoj Zizek mensen als Richard Dawkins and the like geen volwaardige atheïsten noemt).

Een christelijke cultuur, die uiteraard schatplichtig is aan de joodse erfenis, plaatst de menselijke vrijheid zeer expliciet in de context van een ethische verantwoordelijkheid voor de naaste. De tegenstanders van Jezus zijn ervan overtuigd dat Jezus moet verdwijnen om de orde te bewaren, alsof ze geen andere keuze hebben! De schrijver van het Johannesevangelie laat Jezus daarover het volgende zeggen (Joh 8,42-44):

“‘Als God uw vader was,’ zei Jezus, ‘dan zou u Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en van Godswege ben Ik hier: Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. Weet u waarom u mijn taal niet verstaat? Omdat u niet in staat bent te luisteren naar mijn woord. U bent zonen van de duivel, die is uw vader, en u doet niets liever dan uitvoeren wat uw vader in de zin heeft. Vanaf het begin was hij een moordenaar en bevond hij zich buiten de waarheid, omdat er in hem geen waarheid is. Als hij leugentaal spreekt, spreekt hij zoals hij geaard is: hij is een geboren leugenaar.’”

De “duivel” waarop Jezus doelt, is niets anders dan een verpersoonlijking van het zondebokmechanisme. De duivel is “vanaf het begin een moordenaar en een leugenaar”. De menselijke cultuur “begint met een moord en een leugen” – het zondebokmechanisme – en vertelt telkens opnieuw leugenachtige verhalen om uitsluitingsmechanismen en offers te rechtvaardigen. De tegenstanders van Jezus doen hetzelfde. Met zogezegd nobele bedoelingen verhullen ze hun angst om hun machtspositie kwijt te spelen, evenals hun jaloezie tegenover Jezus. De Joodse leiders, vooral farizeeën en hogepriesters, blijven Jezus voorstellen als een bedreiging voor het voortbestaan van de Joodse natie. Volgens hen zou Jezus’ populariteit immers uiteindelijk de Romeinse bezetter verontrusten, en die zou dan vroegtijdig een gevreesde opstand in de kiem willen smoren (Joh 11,47-48):

“De hogepriesters en farizeeën belegden toen een vergadering en zeiden: ‘Wat bereiken we eigenlijk? Kijk maar eens hoeveel tekenen Hij verricht! Als we Hem zo laten doorgaan, zal iedereen nog in Hem gaan geloven, en dan komen de Romeinen en zien we alles verloren gaan: onze heilige plaats en onze natie.’”

Zodra ze Jezus als een pretendent van het koningschap hebben afgeschilderd, en als veroorzaker van een mogelijke burgeroorlog, kunnen de Joodse leiders zijn dood gemakkelijker legitimeren (Joh 11,49-50):

“Een van hen, Kajafas – hij was dat jaar hogepriester – nam het woord en zei: ‘Gebruik toch uw verstand! U ziet niet in dat het in uw eigen belang is wanneer één mens sterft voor het volk en niet onze hele natie ten onder gaat.’”

De evangeliën houden echter de onschuld van Jezus staande: hij heeft niet de intentie om een chaotische burgeroorlog te ontketenen in concurrentie met de machthebbers van zijn tijd. Een rijk waarin liefde en barmhartigheid heerst, is een rijk dat niet gebaseerd is op het offeren van een “vijandige concurrent”. Jezus is geen leider die zijn volgelingen oproept tot een gewapende strijd. Vandaar dat Jezus na zijn arrestatie kan zeggen, tijdens een ondervraging door de Romeinse gouverneur Pilatus, dat hij een ander soort koning is (Joh 18,36):

“Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn dienaars er wel voor gevochten hebben dat Ik niet aan de Joden werd overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld.’”

Ecce Homo by Antonio Ciseri c. 1880Daarop verkondigt Pilatus aan de verzamelde menigte (Joh 18,38):

“Ik acht Hem volstrekt onschuldig.”

De waarheid is dat Jezus een zondebok is zoals ook Linde dat was (zie hoger). De werkelijke oorzaak van het verlangen om Jezus uit te sluiten, ligt niet bij het slachtoffer zelf – Jezus -, maar alweer bij mimetische processen, waaronder jaloezie. Onder andere de auteur van het Matteüsevangelie wijst daarop door aan Pilatus een gedachte toe te schrijven (Mt 27,18):

“Pilatus wist dat ze Jezus uit afgunst hadden overgeleverd.”

Jezus’ eigen leerlingen laten zich dan weer vooral leiden door de angst om uit de sociale boot te vallen (het mimetische proces van groepsconformisme). Petrus beschouwt zichzelf aanvankelijk als een held die Jezus nooit in de steek zal laten, maar als puntje bij paaltje komt en Jezus is gearresteerd, beweert hij Jezus niet te kennen (het christelijk verhaal is pijnlijk realistisch voor wie in romantische en narcistische utopieën aangaande zichzelf en de wereld gelooft). Op die manier zijn hij en de andere leerlingen medeverantwoordelijk voor het offer van Jezus. Hun angst voor sociale afstraffingen, en hun liefde voor een sociaal aanvaardbaar imago, zijn groter dan hun liefde voor Jezus en voor wie ze zelf werkelijk zijn. In plaats van hun leugenachtig sociaal profiel te verliezen omwille van Jezus en daardoor ook zichzelf te redden, offeren ze zichzelf en Jezus op aan “de afgodendienst van sociaal prestige”. In de poging om hun leven te redden, verliezen ze hun leven aan een leugenachtige, inauthentieke identiteit.
Als anderen je aanvaarden omwille van je imago, aanvaarden ze je niet om wie je werkelijk bent. Je “schaadt jezelf” om succesvol te zijn, om “de wereld te winnen”. Je geeft je dus over aan een dynamiek die scherp door Jezus wordt geobserveerd (Lc 9,24-25):
“Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven om Mij verliest, die zal het redden. Wat immers baat het de mens als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schaadt?”
De duivel als verpersoonlijking van het zondebokmechanisme eist het offer van Jezus. Een God die liefde is, weigert offers. Jezus laat zich leiden door die liefde, een liefde die allesbehalve uit is op macht. Als hij, uit gehoorzaamheid aan die liefde, geen gewelddadige opstand ontketent om zijn kruisdood te voorkomen, dan doet hij dat precies omdat hij geen slachtoffers wil maken. In die zin en op een paradoxale manier, “offert Jezus zichzelf tegen het offer”.
Jezus kan dus wel degelijk zeggen: “Mijn koningschap is niet van deze wereld.” Jezus, die net als Oedipus aanvankelijk als de grote koninklijke redder wordt verwelkomd en daarna even hard wordt veracht, “redt” op een potentieel waarachtige manier. De gemeenschap van Thebe gelooft nog dat een zogezegd behekste figuur als Oedipus schuldig kan zijn aan een pestepidemie. Ze gelooft nog in goden die vanuit hun toorn om offers vragen. Het joods-christelijke gedachtegoed daagt daarentegen de mens uit om geen schijnoplossing te aanvaarden, maar echte verantwoordelijkheid op te nemen. De mythe over Oedipus houdt het zondebokmechanisme in stand. Hoe moreel laakbaar de daden van Oedipus ook zijn, ze zijn in werkelijkheid natuurlijk niet de oorzaak van de pest.
De christelijke versie van het Oedipusverhaal zou er radicaal anders uitzien: een gemeenschap die het offer van Oedipus als oplossing voor de pest weigert, gaat op zoek naar de werkelijke oorzaak van de pest en doet een revolutionaire medische ontdekking. De ontmaskering van het zondebokmechanisme als leugenachtig fundament voor het geloof in “pseudo-oorzaken” van rampen, maakt dus onder andere ook de wetenschap mogelijk als zoektocht naar de werkelijke oorzaken van allerlei problemen.
Een schema van de vergelijking tussen het Oedipusverhaal en het Jezusverhaal laat ook andere mogelijke uitwerkingen van de ontmaskering van het zondebokmechanisme zien. Een “vrede gebaseerd op offers” wordt een vraagteken, precies omdat de rechtvaardigingen voor die offers wegvallen:

Koning Oedipus versus Christus Jezus

Het evangelie over de ongerechtvaardigde kruisdood van Jezus maakt principieel een kruis over de leugenachtige propagandamythes waarmee zowel godsdienstige als seculiere religies uitsluitingsmechanismen en offers rechtvaardigen om “vrede” te verkrijgen (ook als die religies zichzelf “christelijk” noemen!). Precies omdat die leugenachtige mythes telkens weer opduiken in allerlei nieuwe gedaantes (groot en klein; in totalitaire regimes of op de speelplaats) blijft het christelijk verhaal urgent. Het is niet iets van het verleden, maar van een reeds aangezegde toekomst.

Christ of St John of the Cross (Salvador Dali)

Het verhaal over Linde (zie hoger) eindigt met een pleidooi van Lotte in het voordeel van Linde. Linde vindt plots een “advocaat” die haar zaak bepleit, bij Lottes eigen kliekje vriendinnen. Daardoor ontstaat er natuurlijk een conflict in dat kliekje. De gemakkelijke eensgezindheid ten koste van een gemeenschappelijke vijand valt weg. Niettemin verkiest Lotte het geweldloze conflict van een discussie, met alle risico’s voor haar eigen positie binnen de groep, boven de gewelddadige vrede door uitsluiting van Linde. Haar liefde voor Linde is groter dan haar angst om zelf te worden “geofferd”. Lotte laat, in tegenstelling tot Petrus en de andere apostelen bij de arrestatie van hun vriend Jezus (zie hoger), haar eigen identiteit dus niet langer afhangen van de immer tijdelijke en vergankelijke processen die sociaal prestige opleveren, maar van een liefde waarvoor ze geen prestaties moet leveren, en die haar vrij maakt om het voor zichzelf en anderen op te nemen.

Lotte krijgt aanvankelijk van Carolien, een beetje de leidster van haar kliekje, de raad om “te zwijgen” over Linde en niet langer de discussie aan te gaan, omwille van “de lieve vrede”. De meeste vriendinnen waren toch niet op andere gedachten te brengen, ze hadden hun oordeel over Linde klaar, en Lotte moest gewoon “de mening van anderen aanvaarden”. Lotte liet zich echter niet uit haar lood slaan, en ze vond inspiratie in het evangelie: “Jezus zweeg nooit om de lieve vrede, en hij toonde aan dat die vrede meestal eigenlijk helemaal niet zo lief is, en dat meningen vaak narcistische zelfrechtvaardigingen zijn die de waarheid geweld aandoen!” Carolien antwoordde: “Die Jezus liet zich uiteindelijk wel kruisigen!”

Silence (Martin Scorsese)Er bestaat geen groter pervertering van het christelijk verhaal dan die uitspraak van Carolien. Ze suggereert dat Lotte gewoon moet “slikken en knikken” om de sociale orde in stand te houden. Carolien gebruikt de kruisdood van Jezus om een nieuw, leugenachtig offermechanisme te rechtvaardigen, terwijl Jezus is gestorven opdat niemand meer zou worden geofferd, en om voor eens en altijd de leugenachtige rechtvaardigingen voor offers aan het licht te brengen. Jezus laat zich kruisigen opdat niemand anders meer zou moeten sterven. In die zin is hij “het lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt”. De film Silence, een spiritueel meesterwerk waaraan regisseur Martin Scorsese 28 jaar werkte, laat dat zien op een weergaloze manier. Het verhaal is de verfilming van de gelijknamige roman van Shusaku Endo, en het vertelt de lotgevallen van enkele jezuïeten in het Japan van de 17de eeuw. Christenen worden er vervolgd, en worden gedwongen om publiekelijk hun geloof af te zweren. Als ze dat niet doen, worden ze terechtgesteld. Een van de jezuïeten, Sebastião Rodrigues, komt op een bepaald moment tot het inzicht dat zijn pleidooi voor offerbereidheid is gebaseerd op trots, op een soort concurrentiestrijd met Jezus. Hij maakt van Jezus een idool, en gaat uiteindelijk een “mimetische rivaliteit” met hem aan in plaats van Jezus werkelijk “na te volgen” – zie Sören Kierkegaard (1813-1855): “Christus komt in de wereld als het voorbeeld, ons voortdurend op het hart drukkend: ‘Volg mij na, imiteer mij.’ Wij mensen geven er de voorkeur aan om hem in plaats daarvan te verafgoden.”

Rodrigues wil als het ware “een nieuwe Jezus” worden en diens plaats innemen, maar uiteindelijk ontdekt hij dat Jezus is gestorven “opdat niemand meer die plaats moet betrekken en aan de dood zou zijn overgeleverd”. De paradox van de film is dat Rodrigues zich pas waarlijk tot Christus bekeert op het moment dat hij zijn geloof publiekelijk afzweert (door een fumie, een prent met een afbeelding van Christus, te vertrappelen). Zijn identiteit is dan niet langer afhankelijk van sociaal prestige (hij is de zogezegde lafaard), van wat anderen over hem denkMartin Scorsese and Pope Francisen, maar ze wordt afhankelijk van een liefde die hem vraagt om zijn sociaal prestige “te verliezen”. Daardoor redt hij bovendien niet alleen zichzelf, maar ook anderen (die werden gemarteld zolang hij zijn geloof niet publiekelijk afzweerde).

In Silence zwijgt Rodrigues publiekelijk over wat er ten diepste leeft in zijn hart “om offers te vermijden”. In het verhaal over Linde is de context anders. De kunst is om te onderscheiden wat in een specifieke situatie de beste manier van handelen is. In het geval van Linde móet Lotte spreken “om offers te vermijden”. Het is bekend dat paus Franciscus ook vaak de binnenkerkelijke gemoederen beroert door niet te zwijgen over misstanden.

Lotte stapt in de barmhartige dynamiek waarvan Jezus van Nazareth de belichaming is. Jezus zaait tweedracht in de groep of maatschappelijke orde waartoe iemand behoort en die zich vaak manifesteert ten koste van een gemeenschappelijke vijand (bijvoorbeeld de overspelige vrouw in Joh 8,1-11). Niet toevallig beweert hij (Mt 10,34-36):

“Ik ben geen vrede komen brengen, maar een zwaard. Want Ik ben gekomen om een wig te drijven tussen zoon en vader, tussen dochter en moeder, tussen schoondochter en schoonmoeder; ja, huisgenoten worden vijanden.”

Die intentie van Jezus, om conflict te brengen waar een bepaalde orde heerst, vormt paradoxaal genoeg een pleidooi tegen geweld. “Bemin uw vijand,” zegt hij (Mt 5,44). Wie de externe vijand van de eigen groep niet langer veroordeelt op basis van een opgeklopt superioriteitsgevoel, creëert intern verdeeldheid (Mt 10,36): “Huisgenoten worden vijanden.” Dat is de logica zelve, wat zogenaamd “nieuwe atheïsten” ook mogen beweren over de veronderstelde irrationaliteit van godsdienstige tradities.

Kortom, Jezus pleit voor niet-gewelddadig conflict om een einde te stellen aan gewelddadige vrede (van deze wereld, gebaseerd op offers). Vandaar dat hij uiteindelijk kan zeggen (Joh 14, 27):

“Vrede laat Ik jullie na, mijn eigen vrede geef Ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft.”

Daarbij laat hij niet na om bestaande structuren te herijken en te transformeren, eerder dan ze simpelweg te vernietigen (wat manicheïstisch zou zijn, en alweer zou resulteren in een “vrede gebaseerd op offers”).

III. “Barmhartigheid wil ik en geen offer” (Mt 9,13)

De figuur van Christus plaatst ieder mens, of die zichzelf nu gelovig noemt of niet, voor een fundamentele, tweevoudige uitdaging. Hij stelt vooreerst de vraag wat er zou gebeuren als je geen angst moet hebben voor mogelijke straffen bij de overtreding van allerlei regels en taboes. Daarnaast vraagt hij wat er zou gebeuren als je geen automatische beloning ontvangt voor het respecteren van diezelfde regels.

Als er geen (godsdienstige of wereldse) autoriteit is die de macht bezit om te straffen of te belonen, noch om zogenaamd “geoorloofd geweld” te gebruiken, dan zijn er fundamenteel twee mogelijkheden: ofwel breekt een chaotische strijd los om macht (die, eventueel, periodiek in vrede resulteert door het offeren van gemeenschappelijke vijanden en de schepping van nieuwe “zondeboksystemen” – zie fenomenen als IS en neonazistische groeperingen), ofwel ontstaat er een vrede die is gebaseerd op waarachtige liefde. Dat soort vrede is anders dan de “vrede” die is gebaseerd op de liefde voor de “hemel” van sociaal prestige en op de angst voor de “hel” van sociale afstraffingen. Het eerste mogelijke gevolg van machtsverlies bij gezagsdragers noemt de christelijke traditie het scenario van de “Apocalyps”, het tweede dat van het “Rijk Gods” (vanuit de overtuiging dat de liefde God is). Als leerkrachten niet meer de macht hebben om te straffen of te belonen, kan inderdaad een chaos losbarsten in klaslokalen, óf de leerkrachten zullen autoriteit toegewezen krijgen omdat leerlingen hen oprecht respecteren.

Slavoj Zizek wijst op die dubbelzinnige impact van de joods-christelijke traditie op de geschiedenis van de mensheid. Als de klassieke, leugenachtige “mythes” als rechtvaardigingen voor het respecteren van een bepaald soort “sacrale” hiërarchie wegvallen, dan wordt de mens vrij om oprecht lief te hebben, maar kan de mens ook vervallen in allesvernietigende rivaliteit met zijn medemens (Citaat uit Slavoj Zizek & Boris Gunjevic, God in Pain: Inversions of Apocalypse [Essay] Christianity Against the Sacred, Seven Stories Press, New York, 2012, p. 64; vertaling: Erik Buys):

slavoj zizek“Hierin schuilt de wereldhistorische breuk die wordt geïntroduceerd door de christelijke traditie: nu kennen we de waarheid over het sacrale, en kunnen we niet langer doen alsof we die waarheid niet kennen. De impact van die kennis is niet alleen bevrijdend, maar ook ten diepste ambigu: het ontneemt de samenleving de stabiliserende rol van het zondebokmechanisme en opent op die manier de ruimte voor geweld dat niet meer wordt ingedijkt door enige mythische limiet.”

Als kritiek op de klassieke, mythische rechtvaardigingen van hiërarchische systemen, is de joods-christelijke traditie op een principieel niveau een wegbereider van essentiële Verlichtingswaarden. Gezag en posities in de samenleving worden niet afgedwongen op basis van een soort “goddelijke wilsbeschikking” aangaande afkomst en traditie, maar op basis van verdiensten en wederzijds begrip voor elkaars zwakheden. De god als hoeksteen van een hiërarchisch gestructureerde samenleving, gebouwd op goddelijk gesanctioneerde taboes, rituelen en offers, kan dus nooit de christelijke god zijn, niettegenstaande die in de geschiedenis soms op die manier werd voorgesteld. Grote christelijke denkers hebben telkens kritiek geleverd op de pervertering van hun geloof, en het is bijvoorbeeld geen toeval dat het humanisme van Erasmus ontspringt aan het evangelie.

Kortom, de realiteit van de liefde wordt pas mogelijk als mensen elkaar niet “liefhebben” uit angst voor straffen of uit liefde voor een aimabel imago, maar uit de vrije dimensie van zelfrespect. De eerste Johannesbrief verwoordt het als volgt (1 Joh 4,18):

“De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.”

Een vrouw die een sluier draagt omwille van sociaal prestige, of wegens angst voor sociale represailles, ziet noch zichzelf, noch haar man graag. Een vrouw die de vrijheid heeft om van haar man te scheiden en om geen sluier te dragen, zonder dat ze sancties moet vrezen, kan pas bij haar man blijven en een sluier dragen uit oprechte liefde. Alleen de mondige, vrije, geëmancipeerde mens kan waarachtig liefhebben. Zolang de mens onderworpen blijft aan de angst voor een gewelddadige autoriteit (goddelijk of niet), is die liefde niet mogelijk. De gekruisigde Christus, als openbaring van de kwetsbare liefde die – volgens christenen – God is, bezit geen macht om liefde af te dwingen van mensen. Als mensen hem liefhebben, dan doen ze dat uit vrije wil. De machteloze Christus kan dus alleen oprechte liefde ontketenen. Als hij niet machteloos zou zijn, dan zou hij de “ruimte en macht” voor de authentieke liefde niet creëren. In een brief van 16 juli 1944 beschrijft Dietrich Bonhoeffer het verschil tussen de God van Christus en de archaïsch religieuze goden (de klassieke “behoeders van geweld” en de angstwekkende hoekstenen van een hiërarchisch gestructureerde wereld) op de volgende manier:

Dietrich Bonhoeffer“We kunnen niet redelijk zijn, als we niet erkennen dat we in de wereld moeten leven, ‘etsi deus non daretur’. En dat erkennen wij voor God! God zelf dwingt ons dit te erkennen. Zo brengt onze mondigheid ons tot de waarachtige kennis van onze situatie tegenover God. God doet ons weten dat wij moeten leven als diegenen, die hun leven inrichten zonder God. De God, die met ons is, is de God die ons verlaat (Mc  15,34)! De God die ons in de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aanschijn wij staan. Voor en met God leven wij zonder God. God laat zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis, God is zwak en machteloos in de wereld en juist zo en alleen zo is Hij met ons en helpt Hij ons. In Mt 8,17 staat overduidelijk dat Christus ons niet helpt krachtens zijn almacht, maar krachtens zijn zwakheid, zijn lijden! Hier ligt het wezenlijke verschil met alle religies. Het religieuze in de mens verwijst hem in zijn nood naar Gods macht in de wereld, God is de deus ex machina. De Bijbel verwijst de mens naar Gods onmacht en lijden; alleen de lijdende God kan helpen. In zoverre kan men zeggen dat de geschetste ontwikkeling tot mondigheid, die afrekent met een verkeerde voorstelling van God, de blik vrijmaakt voor de God van de Bijbel, die door zijn machteloosheid in de wereld macht en ruimte krijgt.

Zoals blijkt uit het voorbeeld van gesluierde vrouwen, pleit het christelijk verhaal niet zozeer voor de afschaffing van wettelijke regels en culturele zeden in samenlevingen, maar bekritiseert ze wel de gebruikelijke rechtvaardigingen voor het respecteren van die regels en zeden. Angst voor mogelijk geweld zou geen drijfveer mogen zijn, wel liefde voor jezelf en de naaste. [Onderscheiden in welke mate je wordt gedreven door angst of liefde voor sociaal prestige enerzijds, en in welke mate door liefde voor jezelf en anderen anderzijds, noemt Ignatius van Loyola (1491-1556) “de onderscheiding van de geesten”.] Zie in dat verband bijvoorbeeld “Dilige et quod vis fac” van Augustinus (354-430) of Mc 2,27: “De sabbat is er voor de mens en niet de mens voor de sabbat.” In navolging van die laatste zin is het christelijk verhaal principieel gekant tegen de idolatrie van culturen: in de mate dat culturele gebruiken de liefde voor de mens in de weg staan, zijn ze relatief. Christelijk gezien moet een cultuur dus niet omwille van zichzelf in stand worden gehouden. Het is bijzonder vreemd dat sommige christenen dat schijnen te denken.

De eis tot liefde kan lastig lijken, maar dan vooral voor wie de gewoonte heeft ontwikkeld om anderen te respecteren op basis van angst voor straffen en streven naar beloningen. Het kereltje dat zich voorbeeldig gedraagt in de klas vanuit de hoop daarvoor betere punten te krijgen op het rapport, kan nog altijd een “wolf” voor zijn medeleerlingen zijn op de speelplaats. Interesse en respect voor leerstof omwille van de leerstof zelf, voor leerkrachten en medeleerlingen omwille van die mensen zelf – wat telkens getuigt van een spirituele houding –, schijnt hem door een vervreemdende schoolloopbaan bijna ondenkbaar geworden. En toch, beweert Jezus, is er niets menselijker dan het vermogen om lief te hebben, en is zijn oproep tot die liefde helemaal niet “zwaar” (Mt 11,28-30):

“Kom allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven. Neem mijn juk op en kom bij Mij in de leer, omdat Ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart, en u zult rust vinden voor uw ziel. Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

Het is nooit te laat om “lief te hebben, en daardoor over te gaan van een doods bestaan naar waarachtig leven” (zie 1 Joh 3,14). Het is nooit te laat om te “verrijzen”. “Voor alle mensen van goede wil” is de “vrede van een andere wereld” mogelijk, een vrede van een “barmhartigheid die geen offers wil” (Mt 9,13). Het is nooit te laat om vergeving te ontvangen van de Verrezen Gekruisigde. Door die vergeving hoef je je niet langer te verbergen achter leugenachtige zelfrechtvaardigingen, en kan je je opnieuw associëren met wie “sociaal gekruisigd” wordt. De geschonken ruimte van de zelfliefde maakt de liefde tot anderen mogelijk; het is die “Geest”, die dynamiek van liefde die de wereld “redt”.

et in terra pax

Na meldingen over grensoverschrijdend gedrag van Bart De Pauw zet de Vlaamse openbare omroep VRT de samenwerking met hem stop. Dat nieuws geraakt bekend op 9 november 2017.

Bart De PauwBart De Pauw is geen monster. Daarvan ben ik overtuigd. Tegelijk geloof ik ook niet dat de VRT, of de leiding van de zender, zich louter laat leiden door vage insinuaties van “gefrustreerde vrouwen” om de samenwerking met “goudhaantje” De Pauw te beëindigen. Waarom zou de VRT zichzelf op die manier in de voet schieten? Bart De Pauw is geen monster, maar ook de vrouwen die zich slachtoffer voelen van grensoverschrijdend gedrag door hem zijn dat niet. Van dat laatste ben ik eveneens overtuigd.

Ergens is het begrijpelijk dat Bart De Pauw zelf de zaak via de media aan zijn fans voorlegde. Een mens kan wel wat steun gebruiken als hij na dertig jaar gepassioneerde arbeid op die manier een samenwerking beëindigd ziet. Dat is bijzonder pijnlijk. Daarnaast moet het echter ook bijzonder pijnlijk zijn voor de slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag dat steunbetuigingen aan Bart De Pauw ontaarden in het fenomeen van blaming the victim. Advocate Christine Mussche wees daarop in Terzake (10 november 2017).

Femme de la Rue posterEnkele jaren geleden maakte Sofie Peeters Femme de la Rue, een documentaire waarin hetzelfde fenomeen van blaming the victim wordt aangekaart (voor meer: klik hier). Sofie Peeters laat zien hoe ze door verscheidene mannen in de straten van Brussel wordt geïntimideerd. Steevast wordt de verantwoordelijkheid voor de seksueel getinte boodschappen die ze te horen krijgt bij haar gelegd. De mannen uit de documentaire redeneren dat ze zich maar niet zo uitdagend moet kleden als ze met rust wil worden gelaten. Terecht is er toen veel kritiek gekomen op dat soort seksistische redenering. De schuld voor seksuele agressie, in dit geval verbale, in de schoenen van het slachtoffer van die agressie schuiven, maakt van het slachtoffer een zondebok: het slachtoffer krijgt de schuld voor iets waaraan het niet, of op zijn minst niet exclusief, schuldig is. De Frans-Amerikaanse denker René Girard (1923-2015) laat in zijn werk zien hoe gemeenschappen keer op keer zulke zondebokmechanismen gebruiken om een bepaald soort sociale orde te creëren en te rechtvaardigen. In patriarchale samenlevingen zijn niet toevallig vrijgevochten vrouwen vaak kop van Jut, en niet alleen van de mannen in die samenlevingen.

De overgrote meerderheid van de publieke opinie in Vlaanderen sprak schande over de manier waarop de mannen uit de documentaire Femme de la Rue zich bezondigen aan het fenomeen van blaming the victim. Die mannen zouden behoren tot “achterlijke culturen”. Vandaag, naar aanleiding van de toestand rond Bart De Pauw, bezondigt de overgrote meerderheid van de publieke opinie in Vlaanderen zich blijkbaar zélf aan gelijkaardige, “achterlijke” redeneringen. De vrouwelijke redacteurs van nieuwssite newsmonkey verwoorden het als volgt in een genuanceerd stuk (klik hier voor het volledige artikel):

“Terwijl Bart De Pauw niet ontkent dat hij berichtjes stuurde, maar de sms’jes afdoet als ‘een manier om een goede band te creëren met mijn medewerkers’, wordt er door diverse media al gemeld dat er dagelijks berichten werden gestuurd met ‘ik wil je neuken’ erin. Vreemde manier om een band met je werknemers te creëren, als je ‘t ons vraagt. En pas op, flirten is au fond geen probleem, maar de sms’en waren ook wel degelijk ongewenst.

We hebben ons waarschijnlijk allemaal al eens schuldig gemaakt aan een aangebrand sms’je dat achteraf gezien misschien niet helemaal gepast was. Maar opnieuw: er is een groot verschil tussen één verkeerd sms’je of een stroom aan berichten waardoor vrouwen zich geïntimideerd voelen.

[…]

Het is waar dat het soms niet even duidelijk is wanneer bepaald gedrag te ver gaat, net omdat die grens voor iedereen ergens anders ligt, maar als slachtoffers worden afgeschilderd als daders en als sensatiezoekers en Bart De Pauw wordt voorgesteld als het slachtoffer, dan wordt het echt wel hallucinant.

[…]

Met tweets als ‘je blokkeert het nummer gewoon’, ‘ze hebben het zeker gewoon uitgelokt’, ‘ze probeerden hogerop te geraken en nu dat niet gelukt is, liegen ze De Pauw in de val’, is het schandalig hoe er wordt gedacht over slachtoffers als de dader een BV is.

[…]

Het is net door dit soort gedrag dat slachtoffers niet, of pas vele jaren later, met hun verhaal naar buiten komen. Dus alstublieft, bespaar ons het verwijt dat de slachtoffers nu pas melding hebben gemaakt van De Pauws gedrag. Het is de schuld van iedereen die de schuld in de schoenen van de slachtoffers schuift, dat dergelijke situaties niet op een betere manier worden opgelost.

En Bart, wij hopen enerzijds dat de VRT fout zit, maar we geloven vanuit het diepste van ons journalistieke hart dat zij hun beslissing niet zomaar zullen gemaakt hebben. Dus in plaats van Vlaanderen te misleiden met je mistroostige blik, wees een man. Geef gewoon toe dat je er niet stil bij stond dat je erover ging. En zeg dan nog eens oprécht sorry.”

Gedreven door massahysterie kiezen gemeenschappen hun zondebokken. Als Bart De Pauw niet zo populair was, dan was hij misschien, op basis van exact dezelfde karige informatie, aan de schandpaal genageld. Dat speelt mensen in de kaart die zelf boter op het hoofd hebben, maar hun eigen goede naam beschermen door te doen alsof ze “helemaal niet zoals dat monster Bart De Pauw” zijn. Niet alleen gemeenschappen drijven het kwaad in zichzelf uit door het te projecteren op één of meerdere zogezegd “door en door slechte” anderen die dan sociaal worden “afgemaakt”. Ook individuen doen dat.

SchandpaalHet is belangrijk om zowel collectief als individueel zelfkritisch te blijven om al te gemakkelijke, vernietigende oordelen en nietsontziende, meedogenloze heksenjachten te vermijden.

Bart De Pauw moet niet aan de schandpaal worden genageld. De vrouwen die door hem op een grensoverschrijdende manier werden benaderd evenmin. Hopelijk komt er een bemiddeling waar alle betrokken partijen beter van worden.

GEEN VREDE, MAAR EEN ZWAARD – Een christelijke provocatie in tijden van Facebook, IS en vluchtelingenstromen is onder andere te bestellen bij uitgeverij Averbode – klik hier. Geïnteresseerden kunnen hieronder meer informatie vinden.

De wereldgeschiedenis is meer dan eens getekend door utopieën van vrede die telkens tragisch ontaarden in dystopieën van geweld. Jezus’ woord in Matteüs 10,34 komt voor christenen dan ook bevreemdend over: “Ik ben geen vrede komen brengen, maar een zwaard.” De vraag is wat bedoeld wordt met dat zwaard.

geen vrede, maar een zwaard (front cover) - Erik Buys

geen vrede, maar een zwaard (back cover) - Erik Buys

In dit boek overweegt Erik Buys waartoe Jezus van Nazareth, zoals hij wordt voorgesteld en verder bediscussieerd in de canon van het Nieuwe Testament, inspireert en uitdaagt met betrekking tot al te menselijke dromen van vrede, voorspoed en harmonie. Het eerste deel neemt de vorm aan van een christologisch essay vanuit de zoektocht naar het voorbeeld dat Jezus wil stellen. In een tweede deel worden de ‘christologische principes’ toegepast op actuele situaties.

Op zaterdag 4 november, van 11 tot 12 uur, wordt het boek voorgesteld op de Antwerpse boekenbeurs in de vorm van een panelgesprek met Mark Janssens (presentator bij Klara), Nikolaas Sintobin s.j. (internetpastor), Filip Noël o.praem. (redacteur bij uitgeverij Averbode), Alexander Van de Sijpe en Karel Brackeniers (oud-leerlingen van het Sint-Jozefscollege, Aalst).

 

Prof. dr. Wolfgang Palaver, Institut für Systematische Theologie, Universität Innsbruck:

Wie vandaag geconfronteerd wordt met de uitdagingen van sociale media, populisme, terrorisme of de vluchtelingencrisis, krijgt in dit boek een diepgaand perspectief, geworteld in de evangeliën en gebaseerd op de antropologie van René Girard.

Prof. George Dunn, University of Indianapolis, USA & Zhejiang University, China:

De manier waarop Erik Buys het evangelie begrijpt, is grondig geïnformeerd door zijn verkenning van René Girards mimetische theorie, die hij kent als zijn broekzak. Hij slaagt erin om met een veelheid aan goed gekozen voorbeelden de betekenis van het evangelie te belichten met behulp van Girards inzichten. Daarnaast heeft hij een uitzonderlijk scherp oog voor de complexe dynamieken van verlangen en ressentiment, die vormgeven aan actuele gebeurtenissen. Hij geeft een intrigerend christelijk antwoord op de crisissen van onze tijd.

Interview door Adam Ericksen van The Raven Foundation:

Here are a few topics we discussed:

The logic and the scandal of Jesus are both provocative.

If you call yourself a “Christian nation” but you exclude refugees, then you aren’t a Christian nation.

You have more in common with your enemy than you think.

Narcissism. Like, was Jesus a narcissist?

The Gerasene Demoniac and our need for common enemies.

How, in the 19th century, Nietzsche explained the motivation of ISIS warriors. Whoa … Nietzsche was brilliant.

The real miracle of Jesus is not that he can manipulate nature and natural forces. The real miracle is that he is concerned about people who do not belong to the group. All any of us want is to belong. Well, with Jesus, you have a place at the table. You belong. But so does your enemy … That could be awkward … So, where are you going to sit?

Hope you enjoy this provocative conversation!

Inhoudsopgave (pdf)

geen vrede, maar een zwaard (inhoudsopgave eerste deel)geen vrede, maar een zwaard (inhoudsopgave tweede deel)

Peace I leave with you

  • HET VERHAAL VAN SOFIE

Sofie was nog net geen vijftien jaar toen ze op een vrijdagavond het huis uit sloop om naar een fuif van haar jeugdbeweging te fietsen in de parochiezaal van haar dorp. Ze had geen toelating gekregen van haar ouders, maar ze was vastbesloten om eens iets “rebels” te doen. In wat volgt, beschrijft Sofie hoe haar avond eindigde.

Vrij naar een fragment uit Brief aan Cooper en de wereld van Dalilla Hermans, Manteau, 2017:

“Ik probeerde me te amuseren, maar was de hele avond toch ook zenuwachtig. Ik had nog nooit zoiets rebels gedaan. En ik voelde me al snel schuldig. Lang voor de anderen besliste ik dan ook gewoon naar huis terug te gaan. Ik had uiteindelijk mijn punt wel bewezen. Ik was op een fuif geweest, en ik had iets stiekem gedaan. Ik was de ultieme puber.

Het was intussen nacht. In het donker zocht ik naar mijn fiets in de bosjes naast de kerk. Ik zocht mijn fietssleutel in het kleine tasje waarin ik de paarse lippenstift en mijn geld had gestopt. Hoe klein een tasje ook is, je verliest er altijd je sleutel in, vraag maar aan elke vrouw. Opeens hoorde ik gelach, vlakbij. Het klonk anders dan het geroezemoes dat door de lucht waaide van de parking van de parochiezaal. Het klonk gemaakt, vals.

‘Da’s Sofie’, hoorde ik een jongensstem zeggen. Mijn adem stokte. Ik draaide me om. In het donker zag ik een paar figuren op me afkomen. Ik voelde meteen dat het niet goed was, dat ik in gevaar was. Ik durfde me niet meer te bewegen, stond aan de grond genageld, mijn hand nog in het tasje. De jongens kwamen in een halve cirkel om me heen staan. Ik herkende een van hen vaag, waarschijnlijk degene die mijn naam had genoemd. De andere jongens had ik nog nooit gezien.

Het was te donker om een goed zicht te krijgen op wie er voor me stonden. Toen er een auto voorbijreed, zag ik even snel hun gezichten. De grootste, de oudste ook waarschijnlijk, stond in het midden voor me, bedreigend dichtbij. Hij had donkere ogen, ijzige ogen, die oplichtten door de koplampen van de auto. Zijn haar was donkerbruin, kortgeknipt, licht krullend. De andere jongens zagen er net zo uit. Ze droegen nauw aansluitende jeans, sportschoenen en leren jekkers. Ze spraken met hetzelfde, lichte accent. Plots herkende ik ze. Het was het groepje Marokkaanse moslimjongens dat ik altijd passeerde op weg naar het station. Ze hadden mij al eerder verbaal lastiggevallen. Ik hoorde het hen weer zeggen: ‘Met Mohammed heb je de beste seks, Vlaamse slet.’ Dat alles besefte ik in de paar seconden dat ik daar zo stond.

Het leken een paar uren. De grootste zei iets tegen me, spottend, en spuwde op de grond. Ik had het niet verstaan. Ik durfde nog steeds niet me te bewegen, hield mijn adem in. Ik keek hem aan met grote, bange ogen. Met mijn blik pleitte ik om met rust te worden gelaten. Zonder woorden gilde ik dat ik gewoon naar huis wilde. Met mijn opengesperde ogen smekend dat ze weg wilden gaan. Zwijgend. Dat leken ze grappig te vinden, dat ik niets durfde te zeggen.

Ze porden elkaar, lachten. Ik rook hun adem, zo dichtbij stonden ze. Nog altijd verstond ik niet wat ze zeiden. Ik zat gevangen in een verstard lichaam, stijf van angst en in paniek. Wat waren ze van plan? Niemand kon me hier horen, niemand kon me zien. Niemand wist waar ik was. Opeens was er een woord waardoor ik weer bij mijn positieven kwam. Iemand zei ‘zeiken’. Het duurde een tel voordat mijn brein dat verwerkt had. ‘Ik moet eigenlijk ook zeiken’, klonk uit de mond van een ander.

Ze zouden toch niet… Dat kon niet. Zoiets gebeurt niet, niet in het echt, niet met mij. Nog voordat ik die gedachte kon afmaken, voelde ik iets warms en nats tegen mijn been klateren. Ik voelde mijn broek, die ik nog maar pas had gekregen, voor in de winter wanneer we geen uniformrok moesten dragen, nat en zwaar worden. Ik zag rook omhoog kringelen, van de warme urine die dampte in de koude nachtlucht.

Ik dacht dat ik flauw zou vallen. Of zou overgeven. Ik wilde schreeuwen. Ik wilde… Maar ik deed niks. Ik stond daar, gevangen in een verstard lichaam, terwijl de jongens op me plasten. Ik sloot mijn ogen. Ik weet niet hoelang ik daar zo heb gestaan. Ik weet niet hoelang de hele episode heeft geduurd.

Toen ik mijn ogen opende, waren ze aan het weglopen. Ze lachten. Luid, vals, triomfantelijk. Op de automatische piloot vond ik mijn fietssleutel en fietste naar huis. Ik huilde niet. Thuisgekomen stroopte ik de natte broek van mijn lijf. Ik rolde het ding tot een bal en wierp het in een hoek van de garage. Ik ging gewoon slapen.

Ik vertelde aan niemand wat er gebeurd was. Als ik deed alsof het niet gebeurd was, zou het ook zo zijn. Misschien was het ook niet echt. Er waren geen getuigen. De volgende dag stopte ik de natte broek in een plastic zak, fietste ermee naar het speelpleintje in onze wijk en propte de zak daar in een vuilnisbak. Zo, het was niet gebeurd. Er waren geen getuigen, en er was geen bewijs. Telkens als mama die winter vroeg waarom ik mijn nieuwe broek niet aandeed, reageerde ik geïrriteerd, zoals een echt pubermeisje, dat olifantenpijpen alweer uit de mode waren.”

Deze ervaring heeft Sofie getekend. Begrijpelijk. Ze wil vermijden dat nog andere meisjes het slachtoffer worden van zoveel seksistisch geweld en racisme. Jaren later, ze is intussen zelf moeder geworden, krijgt ze op een dag een flyer in de bus voor een debat over het al dan niet toelaten van hoofddoeken op de school van haar dochter. Moslimmeisjes hadden daar om gevraagd.

Sofie schrijft een boze brief aan het schoolbestuur. “Dit kan niet!” schrijft ze. “Die meisjes hebben zelf niet door in wat voor een seksistische cultuur ze opgevoed worden; die hoofddoek is per definitie een symbool van de onderdrukking van de vrouw! Wie met jeugd werkt, kan zoiets niet promoten! De islam is in het algemeen trouwens een gevaarlijke, onderdrukkende godsdienst die onze vrijheden bedreigt. Vrouwen mogen niet gekleed gaan zoals ze willen, en redacties van satirische tijdschriften worden bedreigd als ze Mohammed-cartoons afbeelden. Terroristen als de mannen die de aanslagen pleegden op de redactie van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo moeten niet nog meer ruimte krijgen in onze samenleving.” De brief van Sofie wordt opgepikt door enkele kranten, en binnen de kortste keren verschijnt ze in verschillende programma’s op televisie.

Gelukkig kan ze bij veel mensen op begrip rekenen. Een groot deel van de moslimgemeenschap keert zich echter tegen haar. “Wij zijn helemaal geen onderdrukte vrouwen”, beweert een van de moslimmeisjes die om het debat had gevraagd. “Ik draag graag een hoofddoek, mijn zus niet. Wij maken zelf die keuze, en waarom zouden we die keuzevrijheid niet krijgen? Godsdienstvrijheid is een mensenrecht. Sofie suggereert daarbovenop nog eens dat we de weg zouden plaveien voor terroristen, terwijl de manier waarop wij onze godsdienst beleven volstrekt niets te maken heeft met de gruwelijke daden van die mensen.” Ze besluit: “Wij zijn helemaal geen terroristen.”

Een andere moslima kruipt in haar pen en schrijft aan Sofie een open brief, die alweer verschijnt in verscheidene kranten. “Je wentelt je in een slachtofferrol en vraagt op die manier om aandacht. Je zou zelfs kunnen denken dat je een aandachtshoer bent. Gelukkig reageert niet iedereen zo hysterisch als jij op een hoofddoek. Jij associeert hoofddoeken met onderdrukking van vrouwen en (groeiend gevaar voor) terroristische aanslagen, terwijl de overgrote meerderheid van de moslimgemeenschap daar absoluut niets mee te maken wil hebben. Misschien moet je ook eens overwegen dat moslimvrouwen soms een ander idee hebben dan jij over wat vrouwenemancipatie eigenlijk is. Dat mag volgens de vrijheid van meningsuiting. Je moet geen lange tenen hebben. We hebben allemaal onze jeugdtrauma’s. Get over it. Ik werd vroeger bespot om mijn kleine gestalte. Moest ik dan een boze brief schrijven in naam van de VKM (Vereniging van Kleine Moslims)? Ach, buit je slachtofferschap zo niet uit om in de schijnwerpers te staan en reddertje te spelen. Kortom, je moet niet zo klagen.”

En zo wordt er plotseling aan alle kanten geklaagd over iemand die zich zorgen maakt en haar beklag doet over mogelijke uitingen van religieus extremisme. Sofie wordt afgeschilderd als een paranoïde aandachtshoer, een narcistisch iemand die spoken ziet. Ze is bovendien laf. Ze lijkt niet in staat om volledig los te komen van haar jeugdtrauma, terwijl de kleine moslima haar het zogezegd heldhaftige goede voorbeeld geeft: zij kan wel afstand nemen van de mensen die haar uitlachten om haar gestalte.

Vanuit haar trauma overdrijft Sofie misschien, dat is waar. Maar het is op zijn minst te betwijfelen of ze echt handelt uit narcisme. Ze heeft alvast aan den lijve ervaren hoezeer religieus of ander seksisme kan kwetsen, en het lijkt erop dat ze anderen zulke kwetsuren wil besparen. Meisjes van veertien moeten niet beplast worden door een groepje jongens “om karakter te kweken”. Vooraleer we zelf op onze tenen getrapt zijn en ons beklag doen over de zogezegd “lange tenen” van Sofie, loont het de moeite om in gesprek te gaan met iemand die handelt uit zelfrespect en liefde. Onze eigen zogenaamde heldhaftigheid omtrent slachtofferschap onder de aandacht brengen om dat gesprek te beginnen, is een narcistische reflex die ieder mogelijk begrip voor de positie van de ander afsluit. We zijn tot meer in staat.

  • HET VERHAAL VAN DALILLA

Dalilla was nog net geen vijftien jaar toen ze op een vrijdagavond het huis uit sloop om naar een fuif van haar jeugdbeweging te fietsen in de parochiezaal van haar dorp. Ze had geen toelating gekregen van haar ouders, maar ze was vastbesloten om eens iets “rebels” te doen. In wat volgt, beschrijft Dalilla hoe haar avond eindigde.

Fragment uit Brief aan Cooper en de wereld van Dalilla Hermans, Manteau, 2017:

“Ik probeerde me te amuseren, maar was de hele avond toch ook zenuwachtig. Ik had nog nooit zoiets rebels gedaan. En ik voelde me al snel schuldig. Lang voor de anderen besliste ik dan ook gewoon naar huis terug te gaan. Ik had uiteindelijk mijn punt wel bewezen. Ik was op een fuif geweest, en ik had iets stiekem gedaan. Ik was de ultieme puber.

Het was intussen nacht. In het donker zocht ik naar mijn fiets in de bosjes naast de kerk. Ik zocht mijn fietssleutel in het kleine tasje waarin ik de paarse lippenstift en mijn geld had gestopt. Hoe klein een tasje ook is, je verliest er altijd je sleutel in, vraag maar aan elke vrouw. Opeens hoorde ik gelach, vlakbij. Het klonk anders dan het geroezemoes dat door de lucht waaide van de parking van de parochiezaal. Het klonk gemaakt, vals.

‘Da’s Dalilla’, hoorde ik een jongensstem zeggen. Mijn adem stokte. Ik draaide me om. In het donker zag ik een paar figuren op me afkomen. Ik voelde meteen dat het niet goed was, dat ik in gevaar was. Ik durfde me niet meer te bewegen, stond aan de grond genageld, mijn hand nog in het tasje. De jongens kwamen in een halve cirkel om me heen staan. Ik herkende een van hen vaag, waarschijnlijk degene die mijn naam had genoemd. De andere jongens had ik nog nooit gezien.

Het was te donker om een goed zicht te krijgen op wie er voor me stonden. Toen er een auto voorbijreed, zag ik even snel hun gezichten. De grootste, de oudste ook waarschijnlijk, stond in het midden voor me, bedreigend dichtbij. Hij had helblauwe ogen, ijzige ogen, die oplichtten door de koplampen van de auto. Hij droeg een pet, zo’n platte opapet. De andere jongens waren kaal. Ze droegen zwarte bottines en dikke bomberjacks. Het waren skinheads. Dat alles besefte ik in de paar seconden dat ik daar zo stond.

Het leken een paar uren. Hij zei iets tegen me, spottend, en spuwde op de grond. Ik had het niet verstaan. Ik durfde nog steeds niet me te bewegen, hield mijn adem in. Ik keek hem aan met grote, bange ogen. Met mijn blik pleitte ik om met rust te worden gelaten. Zonder woorden gilde ik dat ik gewoon naar huis wilde. Met mijn opengesperde ogen smekend dat ze weg wilden gaan. Zwijgend. Dat leken ze grappig te vinden, dat ik niets durfde te zeggen.

Ze porden elkaar, lachten. Ik rook hun bieradem, zo dichtbij stonden ze. Nog altijd verstond ik niet wat ze zeiden. Ik zat gevangen in een verstard lichaam, stijf van angst en in paniek. Wat waren ze van plan? Niemand kon me hier horen, niemand kon me zien. Niemand wist waar ik was. Opeens was er een woord waardoor ik weer bij mijn positieven kwam. Iemand zei ‘zeiken’. Het duurde een tel voordat mijn brein dat verwerkt had. ‘Ik moet eigenlijk ook zeiken’, klonk uit de mond van een ander.

Ze zouden toch niet… Dat kon niet. Zoiets gebeurt niet, niet in het echt, niet met mij. Nog voordat ik die gedachte kon afmaken, voelde ik iets warms en nats tegen mijn been klateren. Ik voelde mijn broek, die ik nog maar pas had gekregen, voor in de winter wanneer we geen uniformrok moesten dragen, nat en zwaar worden. Ik zag rook omhoog kringelen, van de warme urine die dampte in de koude nachtlucht.

Ik dacht dat ik flauw zou vallen. Of zou overgeven. Ik wilde schreeuwen zoals ik tegen mijn ouders had geschreeuwd. Ik wilde… Maar ik deed niks. Ik stond daar, gevangen in een verstard lichaam, terwijl de jongens op me plasten. Ik sloot mijn ogen. Ik weet niet hoelang ik daar zo heb gestaan. Ik weet niet hoelang de hele episode heeft geduurd.

Toen ik mijn ogen opende, waren ze aan het weglopen. Ze lachten. Luid, vals, triomfantelijk. Op de automatische piloot vond ik mijn fietssleutel en fietste naar huis. Ik huilde niet. Thuisgekomen stroopte ik de natte broek van mijn lijf. Ik rolde het ding tot een bal en wierp het in een hoek van de garage. Ik ging gewoon slapen.

Ik vertelde aan niemand wat er gebeurd was. Als ik deed alsof het niet gebeurd was, zou het ook zo zijn. Misschien was het ook niet echt. Er waren geen getuigen. De volgende dag stopte ik de natte broek in een plastic zak, fietste ermee naar het speelpleintje in onze wijk en propte de zak daar in een vuilnisbak. Zo, het was niet gebeurd. Er waren geen getuigen, en er was geen bewijs. Telkens als mama die winter vroeg waarom ik mijn nieuwe broek niet aandeed, reageerde ik geïrriteerd, zoals een echt pubermeisje, dat olifantenpijpen alweer uit de mode waren.”

Deze ervaring heeft Dalilla getekend. Begrijpelijk. Ze wil vermijden dat nog andere meisjes het slachtoffer worden van zoveel seksistisch geweld en racisme. Jaren later, ze is intussen zelf moeder geworden, ziet ze op een dag een poster voor de zogenaamde “oerwoudfuif” van een scoutsgroep. Op de poster staat een karikatuur van een zwart Afrikaans jongetje afgebeeld.

Dalilla reageert boos, en haar reactie verschijnt in de media. “Dit is een schoolvoorbeeld van hoe je zwarte kinderen en jongeren nogmaals in de hoek van ‘jolig n-woordje uit het oerwoud’ duwt”, beweert ze. Ze geeft meer uitleg:

“Beeldtaal is een heel krachtig wapen. Door constant bepaalde beelden te zien van zwarte mensen en zelden een tegengeluid installeer je bepaalde visies in mensen. Je geeft de onderliggende boodschap dat zwarte mensen zoals die stereotypen zijn (= grotesk uiterlijk, aapachtig, altijd vrolijk, dom, niet serieus etc.) en je praat historisch onrecht goed (=de koloniale periode, slavernij, institutioneel racisme). Daarom vecht ik tegen dat soort beeldtaal.”

Bij veel mensen kan Dalilla op begrip rekenen. Een groot deel van de blanke Vlaamse bevolking keert zich echter tegen haar. “Wij zijn helemaal geen racisten, beweert een zekere Jozef. “Het moet maar eens gedaan zijn met ons te linken aan (neo-)nazisme, slavenhandel en kolonisatie. Mijn voorouders zijn nooit met die zaken in contact gekomen en ze hebben er ook niet aan meegewerkt. Die vrouw is een aandachtshoer die overal spoken ziet.”

Journalist Luckas Vander Taelen kruipt in zijn pen en schrijft een open brief aan Dalilla. Hij schrijft onder andere:

“Als roodharige jongen werd ik vaak geconfronteerd met onaangename opmerkingen. Omdat ik sproeten in mijn gezicht had, vroeg een man me lachend of ik ‘in hondenpoep geblazen had’. Mijn moeder legde me uit hoe stom die man wel was en dat hij jaloers was omdat mijn haarkleur zoveel mooier was dan de zijne. […] Dit is misschien wel het misverstand, Dalilla: het gaat hier bij de oerwoudaffiche niet over een afbeelding van een zwarte Belg. Als de tekening was gebruikt als uitnodiging voor een debat over diversiteit, dan zou dat bepaald aanstootgevend geweest zijn, omdat een zwarte landgenoot gelijkgesteld wordt met een karikatuur van een inwoner van het oerwoud. Maar het ging dus over een brousse-themafuif. Ik zocht gisteren enige foto’s van mensen die daar wonen en kon er geen andere vinden dan een hele reeks die jij waarschijnlijk al even stigmatiserend en karikaturaal zou vinden. Want die mensen zien er heel erg verschillend van ons uit. En als die tot stripfiguurtjes worden getransformeerd, dan excelleert een karikaturist in de kunst van de overdrijving. Dat heb je nu eenmaal met karikaturisten. Ik heb daar nooit van gehouden. Ooit prijkte er een van mezelf op de cover van een Vlaams weekblad. Al mijn kenmerken waren op de spits gedreven; ik werd er niet vrolijk van. Maar ik heb me niet verontwaardigd uitgesproken in naam van alle roodharigen met flaporen. Moslims hebben het moeilijk met cartoons van Allah. Zij vinden dat die niet mogen. De redactie van Charlie Hebdo werd uitgemoord door mensen die dachten dat ze handelden in naam van het grote morele gelijk. Nu houdt zelfs Charlie zich in om nog zogenaamd aanstootgevende cartoons over de islam te publiceren. […] Soms is het belangrijk zijn verontwaardiging op te sparen en niet epidermisch te reageren op iets als een scoutsaffiche uit Hansbeke. Daarmee krijg je misschien veel applaus uit eigen rangen, maar oogst je vooral veel onbegrip…”

En zo wordt er plotseling aan alle kanten geklaagd over iemand die zich zorgen maakt en haar beklag doet over mogelijke uitingen van racisme. Dalilla wordt afgeschilderd als een paranoïde aandachtshoer, een narcistisch iemand die spoken ziet. Ze is bovendien laf. Ze lijkt niet in staat om volledig los te komen van haar jeugdtrauma, terwijl Luckas Vander Taelen haar het zogezegd heldhaftige goede voorbeeld geeft: hij kan wel afstand nemen van de mensen die hem uitlachten om zijn flaporen.

Vanuit haar trauma overdrijft Dalilla misschien, dat is waar. Maar het is op zijn minst te betwijfelen of ze echt handelt uit narcisme. Ze heeft alvast aan den lijve ervaren hoezeer racisme kan kwetsen, en het lijkt erop dat ze anderen zulke kwetsuren wil besparen. Meisjes van veertien moeten niet beplast worden door een groepje jongens “om karakter te kweken”. Vooraleer we zelf op onze tenen getrapt zijn en ons beklag doen over Dalilla’s zogezegd “lange tenen”, loont het de moeite om in gesprek te gaan met iemand die handelt uit zelfrespect en liefde. Onze eigen zogenaamde heldhaftigheid omtrent slachtofferschap onder de aandacht brengen om dat gesprek te beginnen, is een narcistische reflex die ieder mogelijk begrip voor de positie van de ander afsluit. Luckas Vander Taelen bombarderen tot “Vlaamse held” en Dalilla Hermans tot “zwarte zeurpiet” is al te gemakkelijk. We zijn tot meer in staat.

In termen van de Frans-Amerikaanse denker René Girard is er een vorm van mimetische rivaliteit tussen groepen die elk aandacht opeisen voor hun gevoeligheden; daarbij wil de ene niet “racistisch” genoemd worden (of verweten worden van “(neo)nazistische terreur”), en de andere niet “terroristisch” (of verweten worden van “(islamistisch) racisme”), terwijl we de andere partij vlotjes aanwrijven waarvan we zelf niet willen verdacht worden. Met andere woorden: de pot verwijt de ketel… Of nog, in Bijbelse termen: we zien gemakkelijk de splinter in het oog van iemand anders, terwijl we blind blijven voor de balk in ons eigen oog.

  • VIETATO LAMENTARSI, VERBODEN TE KLAGEN!

In naam van slachtoffers van terreur hele groepen stigmatiseren, discrimineren en tot slachtoffer maken, is pervers. Het is de terreur verder zetten door nieuwe slachtoffers te maken.

De N-VA-fractie protesteert terecht tegen een gefotoshopte afbeelding van Theo Francken in nazi-uniform, gepubliceerd door de jeugdafdeling van Ecolo. De slachtoffers van de holocaust moeten niet misbruikt worden om met een zogezegd “ludieke” of “studentikoze” actie aan politiek te doen. De N-VA-fractie verwijten dat ze “lange tenen” zou hebben, is dan ook totaal misplaatst. Of niet?

Sympathisanten van Dalilla Hermans geven terecht kritiek op uitlatingen waarin Dalilla al te snel vergeleken wordt met de terroristen die de aanslagen pleegden op de redactie van Charlie Hebdo. De slachtoffers van terreuraanslagen moeten niet misbruikt worden om een open en vrij gesprek over de rol van beeldvorming in de kiem te smoren. Dalilla verwijten dat ze “lange tenen” zou hebben, is dan ook totaal misplaatst, niet?

Dalilla Hermans heeft het recht om haar mening te geven en kritiek te leveren op een bepaald soort afbeelding van een Afrikaans jongetje. De NV-A-fractie heeft het recht om haar mening te geven en kritiek te leveren op een bepaald soort afbeelding van Theo Francken.

Alles kan natuurlijk ook humor zijn, maar humor die zichzelf bloedernstig neemt en geen kritiek verdraagt, is geen humor meer.

Humor kan bevrijdend zijn, als het machtsstructuren relativeert, als het mensen in een context van wederzijds vertrouwen in staat stelt om hun eigen identiteit te relativeren, als het mensen uiteindelijk samen laat lachen en dichter bij elkaar brengt. Maar humor kan ook louter bijtend en destructief zijn, als het vanuit frustraties gericht is op het kwetsen van anderen. Humor wordt dan een nietsontziende cynische pletwals en al te noodzakelijke uitlaatklep van een verwende en verzuurde samenleving, een vermomde uiting van verbittering, waarin gevoeligheden van anderen niet van tel zijn. In dat soort samenleving moet je niet verwonderd zijn dat sommige jonge leerlingen wel klagen over schoolse begrenzingen van promotiecampagnes voor 100dagen-fuiven, maar veel minder klagen over het feit dat enkele medeleerlingen gepest worden…

Vandaar:

Verboden te klagen (uit een narcistische reflex) om te kunnen (aan)klagen (uit liefde en zelfrespect)!

  • CHRISTIAN VIRTUES GONE MAD…

Wat vaak opvalt in hedendaagse debatten is de mimetische competitie om slachtofferschap: individuen en groepen imiteren elkaar in de presentatie van zichzelf als slachtoffer. Wie zichzelf als het grootste slachtoffer kan voorstellen, heeft zogezegd het meeste spreekrecht. Dat heeft te maken met de immense impact van Jezus van Nazareth op de geschiedenis – althans volgens Friedrich Nietzsche, die bekende atheïstische filosoof.

Misschien heeft Nietzsche wel gelijk. Stel je eens voor dat je een attest bovenhaalt van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of een ongeval, of dat je kan bewijzen last te hebben van ADHD, ADD, ASS, dyslexie of dyscalculie, van sociale, psychologische of financiële problemen, en dat je zou leven in een klassiek antieke cultuur die nog niet “besmet” is door de joodse of christelijke godsdienst. Als slachtoffer van om het even welke aandoening of rampspoed zou je dan te horen krijgen dat je het lot maar moet aanvaarden, of erger nog, dat je op een of andere manier verdiend hebt wat je te beurt valt (vanuit “karma” en zo van die dingen).

De joodse en christelijke geschriften introduceren gaandeweg een radicaal nieuwe visie op slachtoffers. Dat blijkt vooral uit het optreden van Jezus van Nazareth die, bijvoorbeeld in de Bergrede, slachtoffers niet langer beschouwt als “vervloekten” zonder recht van spreken, maar integendeel, als mensen die precies de (oproep tot) gerechtigheid aan hun kant hebben. Via denkers als Erasmus (“de vader van het humanisme”) is deze nieuwtestamentische visie op slachtoffers ook in de moderniteit levend gehouden, ook als de christelijke kerken hun eigen evangelie verloochenden. Daardoor geraakte uiteindelijk de hele westerse cultuur doordrongen van het idee dat slachtoffers “recht van spreken” hebben.

Volgens Nietzsche is dit een volstrekt negatieve evolutie geweest, ingegeven vanuit het ressentiment van zwakkelingen tegenover machtigen (voor een kritiek op deze opvatting van Nietzsche over de joods-christelijke traditie: klik hier). In zijn werk minacht hij voortdurend wat hij “de joods-christelijke slavenmoraal” noemt. Het is geen toeval dat het nazisme enkele essentiële concepten van Nietzsche gebruikte en in meerdere opzichten een “neo-paganistische” ideologie bleek. Niettemin, ondanks de nazistische poging in het midden van de twintigste eeuw om “alles wat joods was” uit te roeien, heeft de joods-christelijke godsdienst, om het in de woorden van Nietzsche te zeggen, “er tweeduizend jaar over gedaan om de overwinning te behalen.” En over Jezus schrijft Nietzsche (let wel, zoals de hoger vermelde link al aangeeft: Nietzsche vergist zich als hij beweert dat de positieve aandacht voor slachtoffers bij Jezus zou ingegeven zijn vanuit ressentiment):

“Die Jezus van Nazareth, het vleesgeworden evangelie der liefde, de ‘Verlosser’ die de armen, zieken en zondaren de zaligheid en overwinning brengt – was hij niet juist de verleiding in haar meest beklemmende en onweerstaanbare gedaante, de verleiding en omweg tot juist die Joodse waarden en vernieuwingen van het ideaal? Heeft Israël niet juist langs de omweg van deze ‘Verlosser’, deze schijnbare vijand en ontbindende kracht Israëls, het laatste doel van zijn sublieme wraakzucht bereikt?”

(Zie Friedrich Nietzsche, Zur Genealogie der Moral, eerste essay, par. 8.).

Vandaag zie je niet toevallig het volgende gebeuren (om bij de hoger vermelde voorbeelden te blijven):

  • Dalilla Hermans claimt spreekrecht in naam van slachtoffers van racisme.
  • Luckas Vander Taelen claimt spreekrecht in naam van slachtoffers van censuur en terroristische aanslagen.
  • Ecolo J claimt spreekrecht in naam van slachtoffers die op de vlucht zijn.
  • NV-A claimt spreekrecht in naam van slachtoffers van diabolisering (in casu Theo Francken).

De vraag is echter of in zulke debatten slachtoffers wel altijd werkelijk slachtoffers zijn. Soms zullen daders zichzelf voorstellen als slachtoffers, of zich associëren met slachtoffers, om een discriminerende politiek te rechtvaardigen – waarbij dan net slachtoffers worden gemaakt! IS-strijders, bijvoorbeeld, stellen zichzelf wat graag voor als slachtoffers van onderdrukking om hun terreurdaden in bepaalde landen te legitimeren (terwijl moslims in de betreffende landen misschien helemaal niet worden gediscrimineerd). In dat geval perverteert de joods-christelijke invloed tot haar tegendeel (en Nietzsche valt eigenlijk, zonder het zelf te beseffen, de pervertering van het christelijk verhaal aan): in plaats van slachtoffers te beschermen, worden in naam van de rechten van slachtoffers nieuwe slachtoffers gemaakt (vanuit ressentiment). G.K. Chesterton beweert niet toevallig “dat de moderne wereld vol is van oude christelijke deugden die doorgedraaid zijn” (zie zijn werk Orthodoxy – pdf).

Zie ook volgende citaten in dit verband.

René Girard in Evolution and Conversion – Dialogues on the Origins of Culture, Continuum, London, New York, 2007, p. 236:

“We have experienced various forms of totalitarianism that openly denied Christian principles. There has been the totalitarianism of the Left, which tried to outflank Christianity; and there has been totalitarianism of the Right, like Nazism, which found Christianity too soft on victims. This kind of totalitarianism is not only alive but it also has a great future. There will probably be some thinkers in the future who will reformulate this principle in a politically correct fashion, in more virulent forms, which will be more anti-Christian, albeit in an ultra-Christian caricature. When I say more Christian and more anti-Christian, I imply the figure of the Anti-Christ. The Anti-Christ is nothing but that: it is the ideology that attempts to outchristianize Christianity, that imitates Christianity in a spirit of rivalry.

[…]

You can foresee the shape of what the Anti-Christ is going to be in the future: a super-victimary machine that will keep on sacrificing in the name of the victim.”

Gil Bailie in Violence Unveiled – Humanity at the Crossroads, The Crossroad Publishing Company, New York, 1995, p. 20:

“There’s plenty of truth in the revised picture of Western history that the young are now routinely taught, the picture of the West’s swashbuckling appetite for power, wealth, and dominion. What’s to be noted is that it is we, and not our cultural adversaries, who are teaching it to them. It is we, the spiritual beneficiaries of that less than always edifying history, who automatically empathize more with our ancestors’ victims than with our ancestors themselves. If we are tempted to think that this amazing shift is the product of our own moral achievement, all we have to do is look around at how shamelessly we exploit it for a little power, wealth, and dominion of our own.

The fact is that the concern for victims has gradually become the principal gyroscope in the Western world. Even the most vicious campaigns of victimization – including, astonishingly, even Hitler’s – have found it necessary to base their assertion of moral legitimacy on the claim that their goal was the protection or vindication of victims. However savagely we behave, and however wickedly and selectively we wield this moral gavel, protecting or rescuing innocent victims has become the cultural imperative everywhere the biblical influence has been felt.”

Op 7 september 2005, beïnvloed door het werk van politicoloog Benjamin Barber en socioloog Manuel Castells, schreef ik onder andere het volgende voor een artikel in Tertio. Blijkbaar is er sindsdien niet zoveel veranderd in de wereld. Enkele evoluties hebben zich gewoon doorgezet (ik geef een aantal voorbeelden tussen haakjes):

In Europa, maar ook daarbuiten, is aan de ene kant een soms merkwaardige alliantie ontstaan tussen linkse krachten en moslims [ook nu nog, bijvoorbeeld: moslim Dyab Abou Jahjah in De Afspraak op één, 22 november 2016, die zijn sympathie uitspreekt voor sp.a, groen en PVDA] die de islamitische zaak bepleiten tegenover de rechtse politiek van een George W. Bush – vertegenwoordiger van een soort ‘christelijk patriottisme’ –, en aan de andere kant een even opportunistisch verbond tussen joodse en christelijke fundamentalisten met extreemrechtse tendensen [ook nu nog, bijvoorbeeld: de – door sommigen genoemde – ‘christelijke kruisvaarder’ van het kabinet van Donald Trump, Steve Bannon, die goed bevriend was met wijlen Andrew Breitbart, een overtuigde jood; beiden zijn bekend van het rechtse Breitbart News Network].Beide partijen gaan elkaar te lijf met – alweer, hoe kan het ook anders – het recht op vrije meningsuiting. Dat conflict dreigt ons af te leiden van het echte probleem, namelijk dat zowel linkse als rechtse Europese politici en mediafiguren zich almaar meer uitspreken tegen een of andere vorm van geloof en godsdienst [ook nu nog, bijvoorbeeld: Filip Dewinter die de koran een ‘licence to kill’ noemt op 22 januari 2015, in het Belgische federale parlement; Joël De Ceulaer die op 13 januari 2015 via de website van Knack oproept om het godsdienstonderwijs af te schaffen na de aanslagen op Charlie Hebdo – zie ook Maarten Boudry in dit straatje, die ‘het politiek niet correcte denken over islam niet gemonopoliseerd wil zien door extreemrechts’; zie in dit verband: The Fascism of Anti-religious Utopians].

We mogen niet vergeten dat fundamentalistische christenen en moslims bondgenoten zijn in zoverre ze beiden strijden tegen een in hun ogen decadente westerse consumptiemaatschappij die geen voordeel haalt uit duurzame principes en levensprojecten, en er daarom ook weinig of geen ruimte aan biedt.

Kortom, de markteconomische ontwrichting van het sociale weefsel leidt, globaal, tot psychosociale problemen van autoagressieve aard (toename van het aantal depressies, zelfmoorden, zelfdestructieve verslavingen en eetstoornissen), alsook tot psychosociale problemen van heteroagressieve aard (extremistische, vaak gewelddadige en terroristische ‘tegenculturen’ – van zowel religieuze als seculiere aard – die hun leden een duidelijke identiteit verschaffen).

Polariserende identiteitsconstructies in onze samenleving, à la Trump, zullen niet gauw verdwijnen zolang de mainstream media weinig ruimte bieden aan diversiteit. Wie, bijvoorbeeld, als gelovige, maar ook als ongelovige, argumenteert tégen (de propaganda van) het mainstream idee over geloof en godsdienst, wordt vaak weggezet als ‘een uitzondering’. Als gelovige krijg je dan meestal te horen dat de eigen, individuele geloofsopvatting niet van tel is omdat ze niet zou overeenstemmen met wat en hoe ‘de meeste gelovigen’ geloven. Dat is alweer een standaardreactie die nauwelijks in vraag wordt gesteld.

Wat een Etienne Vermeersch als bevooroordeelde anti-theïst over godsdienst te vertellen heeft, krijgt in de mainstream meer ruimte dan wat een (eveneens bevooroordeelde) gelovige als Rik Torfs daarover kwijt kan. Het geloof van Torfs zou dan ‘te intellectueel, te gesofisticeerd en te specifiek’ zijn om er veel aandacht aan te besteden in de publieke sfeer. Verlichte geesten houden bij hun beoordeling van een bepaald gegeven echter geen rekening met wat een zogezegde meerderheid daarover te vertellen heeft. Verlichte geesten zullen nagaan of de rationele en wetenschappelijke argumenten die Torfs gebruikt in de voorstelling van – in zijn geval – het christelijk geloof al dan niet meer steek houden dan de argumenten die Vermeersch hanteert in de voorstelling van dat geloof. Of een meerderheid van gelovigen eerder aansluit bij Torfs dan wel Vermeersch is in eerste instantie niet belangrijk voor wie gelooft in de kracht van rationaliteit en wetenschap.

Los daarvan is de (minstens impliciete) opvatting dat de meeste gelovigen naïeve fundamentalisten zijn (van wie het geloof bijvoorbeeld in conflict zou komen met de moderne natuurwetenschappen) en/of enggeestige lieden (van wie de denkbeelden een voedingsbodem vormen voor geweld) misschien vandaag een van de hardnekkigste enggeestige vooroordelen. ‘De massa’ is altijd op zoek naar houvast en zekerheid. Vroeger vond de massa in Vlaanderen die in een vanzelfsprekend, nauwelijks bekritiseerd en gesocialiseerd katholicisme. Vandaag vindt de massa in Vlaanderen haar zekerheid in een vanzelfsprekend, nauwelijks bekritiseerd en gesocialiseerd atheïsme. Daarnaast zullen er altijd verlichte individuen zijn, zowel aan gelovige als aan ongelovige zijde, die ruimte bieden aan de twijfel.

In onzekere tijden, waarin mensen zich gemakkelijk laten verleiden door populistische extremen die zekerheid beloven, mag er misschien meer aandacht gaan naar de kunst om te twijfelen – ook aan onze eigen zekerheden en onze eigen neiging tot conformisme, diabolisering en polarisering (à la Trump?).

Hierna het volledige artikel uit 2005 (klik op de afbeeldingen om ze te vergroten):

 

Tertio 7 september 2005Tertio 7 september 2005_2

 

P.S.: In het weekblad Knack van 30 november 2016 staat op pagina 29 een vertaald interview uit Der Spiegel met Brits historicus en publicist Timothy Garton Ash. Een fragment:

Heeft de liberaal het ook niet moeilijk met meningen die hij verwerpelijk vindt? De atheïst verdraagt de gelovige soms even moeilijk als de gelovige de atheïst.

GARTON ASH: Consequent zijn in de tolerantie is voor liberalen soms inderdaad een uitdaging. Ik noem een concreet voorbeeld: de christen die beweert dat homoseksualiteit een zonde is, mag om die reden niet benadeeld worden. Dat verandert als die christen zich niet tot woorden beperkt. Als hij een homoseksuele persoon schade berokkent, bijvoorbeeld door hem een job te weigeren, is de grens overschreden.

Vergelijk dit met een voorbeeld uit het artikel van 2005:

De Italiaanse katholiek Rocco Buttiglione werd bijvoorbeeld niet aanvaardbaar geacht zitting te nemen in de Europese Commissie. Hij had gezegd dat hij homoseksualiteit zondig vond. […] Linkse politici wilden […] Buttiglione uit de Europese Commissie, ook al onderschreef die het principe van de scheiding tussen kerk en staat zeer duidelijk. De filosofieprofessor verklaarde immers dat het belangrijk is “een onderscheid te maken tussen moraal en recht. Vele dingen kunnen als immoreel worden beschouwd en moeten toch niet worden verboden. Ik kan homoseksualiteit een zonde vinden, maar dat heeft geen gevolgen zolang ik het geen misdaad noem. De staat heeft niet het recht zich op dit gebied te mengen.”

Voor alle duidelijkheid: lang niet alle christenen vinden homoseksualiteit een zonde (ik ben zelf christen en beschouw homoseksualiteit niet als zondig). Dat betekent echter niet dat anderen geen andere mening mogen hebben (hoezeer ik het ook oneens ben met die mening). Het is de discriminatie van mensen met een andere dan de zogezegd “liberale, progressieve” mening die een quasi geïnstitutionaliseerde vorm van hypocrisie openbaart. Het westers liberalisme blijkt helemaal niet zo tolerant te zijn als het van zichzelf beweert. Zoiets wordt vroeg of laat afgestraft. De verkiezing van Donald Trump heeft óók daarmee te maken. De satiricus Jonathan Pie zegt het goed:

Error
This video doesn’t exist

In plaats van mensen te diaboliseren, ga je er beter mee in debat, en voer je discussies op grond van rationele argumenten. Dát zou “verlicht” zijn. Mensen met een andere mening dan de “liberaal progressieve” afschilderen als “kwaadaardig” en/of “achterlijk”, is een vorm van paternalistisch levensbeschouwelijk imperialisme, een vorm van cultureel totalitarisme. En daar zijn “we” zogezegd toch tegen?

DENKGELACHERIG ATHEÏSTISCH NARCISME

[SEE BELOW FOR ENGLISH TRANSLATION]

De volgehouden logica in de evangeliën en de verder ontwikkelde christelijke traditie, wijst in de richting van “Jezus als ultieme, soms pijnlijk consequente realist in een wereld van narcisten”. [Voor meer hierover: klik hier]. Dat bepaalde mensen, ondanks alle rationele argumenten, blind blijven voor die logica, heeft niet te maken met een veronderstelde “vaagheid” van de christelijke bronnen, maar met een koppig narcisme.

God works in mysterious waysFundamentalistische christenen, bijvoorbeeld, hangen nogal eens vast aan het geloof in een almachtige God in een eigenlijk niet-christelijke zin [Voor meer hierover: klik hier]. De ervaring leert dat zij moeilijk afstappen van een godsbeeld dat incompatibel is met het godsbeeld dat kan afgeleid worden uit de Christusfiguur van de evangeliën. Als ultieme verdediging van kromme redeneringen trekken zij vaak de kaart van het adagium “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk”. Daarmee beëindigen ze iedere vorm van dialoog, discussie en kritische (zelf)reflectie. Maar ook sommige atheïsten houden liever vast aan hun ideeën over het christelijke verhaal (en theologie of zelfs godsdienst in het algemeen) dan dat ze die in vraag zouden stellen. Narcistische, intellectuele zelfgenoegzaamheid is niemand vreemd. Vooral niet als een eerder vijandige opvatting tegenover het christelijke verhaal identiteitsbepalend is. De commentaar van sommige atheïsten, wier blik veelal door negatieve emoties wordt bepaald, op het betoog uit een vorige post [Voor meer hierover: klik hier] is dan ook voorspelbaar: “Dit is een particuliere, misschien zelfs hoogst individuele interpretatie, en uiteindelijk is het allemaal relatief. Wat kunnen we uiteindelijk weten? Met ‘theologie’ kun je alle kanten op!” Alweer duikt het gemakzuchtige en laffe “argument” van “ondoorgrondelijke wegen” op. Tja, voor wie gelooft in rationele argumenten, ondersteund door wetenschappelijke inzichten (van literatuurwetenschap en geschiedenis tot antropologie) zal de ene interpretatie beter en plausibeler zijn dan de andere. Het is allemaal niet zo “ondoorgrondelijk” of “vaag” of “incoherent”.

Op de vragen “Welke beweringen doet het christelijke verhaal en wat is de essentie van het christelijke geloof?” bestaan wel degelijk antwoorden die, vanuit rationeel en wetenschappelijk verantwoord onderzoek, plausibeler zijn dan andere. Wat narcisten ook mogen beweren. Zowel gelovigen als ongelovigen kunnen een onderzoek instellen naar het antwoord op die vragen.

Wat het intellectuele narcisme van sommige atheïsten betreft, is een “debat” dat georganiseerd werd door Het Denkgelag een mooi voorbeeld. Op 17 oktober 2013 hielden Daniel Dennett, Lawrence Krauss en Massimo Pigliucci onder de modererende leiding van filosoof Maarten Boudry een panelgesprek over “de grenzen van de wetenschap”.

Dit theekransje van atheïsten oversteeg zelden het niveau van filosofische cafépraat, maar misschien was dat wel de bedoeling – om de drempel laag te houden. Gelukkig zat Massimo Piglicucci in het panel. In ieder geval, je zou denken dat het “om te lachen” was als ze zichzelf niet zo ernstig namen. Genant was onder andere hoe bioloog en filosoof Massimo Pigliucci en filosoof Daniel Dennett aan fysicus Lawrence Krauss moesten uitleggen dat de criteria om te oordelen over het morele of immorele karakter van menselijke daden niet door de wetenschap kunnen bepaald worden. Eens die criteria bepaald zijn – eventueel door langdurig na te denken, dus door “rationaliteit” -, kan wetenschap natuurlijk informatie opleveren aangaande de vraag hoe die morele opvattingen het best in de praktijk worden omgezet. Als je bijvoorbeeld gelooft dat het morele gehalte van een daad bepaald wordt door het geluksniveau dat het oplevert, kun je wetenschappelijk kennis vergaren over de mate waarin een daad in “geluk” resulteert. Op voorwaarde natuurlijk dat je eerst gedefinieerd hebt wat “geluk” dan inhoudt. Wat alweer impliceert dat een filosofische, rationele discussie over “geluk” voorafgaat aan ieder mogelijk wetenschappelijk onderzoek. Het is bijzonder eigenaardig dat dergelijke basisinzichten in het lang en het breed (expliciet een twintigtal minuten) moeten uitgesmeerd worden op een avond die pretendeert een hoogmis voor de rationaliteit te zijn. De aanvankelijke “onenigheid” tussen Pigliucci en Krauss had dan ook geen enkele intellectuele spankracht. Ze was gewoon te wijten aan een gebrekkig inzicht bij Krauss. Pigliucci vat de les wijsbegeerte voor eerstejaarsstudenten uiteindelijk samen (tussen minuut 42:40 en 44:00 van het gesprek):

“Nobody in his right mind, no philosopher in his right mind, I think, is saying that empirical facts, or even some scientific facts – as should be clear by now, I take a more restrictive definition of science or concept of science than Lawrence does – but even if we want to talk about empirical facts, broadly speaking, nobody is denying […] that empirical facts are relevant to ethical decisions. That’s not the question. The question is […] that the empirical facts, most of the times, if not all the times, in ethical decision making, are going to underdetermine those decisions, those value judgements that we make. So the way I think of ethics is of essentially ‘applied rationality’. You start with certain general ideas. Are you adopting a utilitarian framework? Are you adopting a deontological framework, a virtue ethics framework or whatever it is? And then that essentially plays the equivalent role of, sort of, general axioms, if you will, in mathematics or general assumptions in logic. And from there you incorporate knowledge, empirical knowledge, about, among other things, what kind of beings humans are. Ethics, let’s not forget, is about human beings.”

Terecht wees Pigliucci er trouwens op dat Sam Harris in zijn boek The Moral Landscape eigenlijk een gelijkaardige denkfout maakt als Krauss. Harris zal wel veel verdiend hebben aan de verkoop van zijn boek, maar bij nader inzien is het intellectuele volksverlakkerij die weinig om het lijf heeft. Niet verwonderlijk dat Pigliucci er het volgende over zegt (48:22 – 48:44):

the moral landscape“Sam Harris, who you [Maarten Boudry] introduced as a philosopher, I would characterize mostly as a neuroscience based person. I think he would do it that way. When I read his book, ‘The Moral Landscape’ which promised a scientific way of handling ethical questions. I got through the entire book and I didn’t learn anything at all, zero, new about ethics, right?”

Daarnaast ergert Pigliucci zich, opnieuw reagerend op een aantal beweringen van Krauss, aan wetenschappers die generaliserende uitspraken doen over filosofie zonder eigenlijk enig idee te hebben waarover ze spreken (1:12:57 – 1:13:28):

“First of all, most philosophy of science is not at all about helping scientists answer questions. So it is no surprise that it doesn’t. So when people like your colleague Stephen Hawking – to name names – starts out a book and says that philosophy is dead because it hasn’t contributed anything to science, he literally does not know what he is talking about. That is not the point of philosophy of science, most of the time.”

Kortom, de onenigheid die soms dreigde te ontstaan tussen Pigliucci en Dennett aan de ene kant en Krauss aan de andere werd telkens opgelost door Krauss een aantal “bijlessen” te geven. Pigliucci was dan nog zo vriendelijk om dat vaak ietwat onrechtstreeks te doen, maar het is duidelijk dat zijn zojuist vermelde commentaar op Stephen Hawking een manier was om Krauss terecht te wijzen over zijn “red herring” (de herhaalde opmerking van Krauss dat (wetenschaps)filosofie vandaag geen bijdragen levert aan wetenschap is irrelevant omdat ze dat ook niet beoogt). Pigliucci besloot deze discussie met een analogie (1:13:59 – 1:14:12):

“So, yes, philosophy of science doesn’t contribute to science, just like science does not contribute to, you know, English literature. Or literary criticism, whatever you want to put it. But so what, no one is blaming the physicists for not coming up with something new about Jane Austen.”

Je zou verwachten dat Pigliucci dergelijke analogie consequent toepast als het gaat om de afbakening van verschillende onderzoeksvelden, maar toen het over theologie ging nam hij plotseling ook de weinig doordachte houding van Krauss aan. Boudry en Dennett sloten zich trouwens eensgezind bij hun gesprekspartners aan. Blijkbaar hadden deze atheïsten een doodverklaarde “vijand” gevonden – de theologie – die hen verenigde (1:13:46 – 1:13:48):

Lawrence Krauss: “Well, theology, you could say is a dead field…”
Massimo Pigliucci: “Yes, you can say that. Right!”

Aan het begin van de avond bleek al dat de heren op dit vlak zeker van hun stuk waren:

20:11 – 20:21
Maarten Boudry: “Do you think that science, no matter how you define it, or maybe it depends, has disproven or refuted god’s existence?”

21:10 – 21:30
Lawrence Krauss: “What we can say, and what I think is really important, is that science is inconsistent with every religion in the world. That every organized religion based on scripture and doctrine is inconsistent with science. So they’re all garbage and nonsense. That you can say with definitive authority.”

21:50 – 22:42
Massimo Pigliucci: “I get nervous whenever I hear people talking about ‘the god hypothesis’. Because I think that’s conceding too much. Well, it seems to me, in order to talk about a hypothesis, you really have to have something fairly well articulated, coherent, that makes predictions that are actually falsifiable. All that sort of stuff. […] All these [god-] concepts are incoherent, badly put together, if put together at all. […] There is nothing to defeat there. It’s an incoherent, badly articulated concept.”

De eerder uitgewerkte post over de al dan niet narcistische Jezusfiguur van het Nieuwe Testament is een eerste falsificatie van de beweringen van Krauss en Pigliucci. Georganiseerde religie, gebaseerd op zogenoemde openbaringsgeschriften en dogma’s, is niet per definitie inconsistent met wetenschap. Het nieuwtestamentishe godsbeeld is bovendien allesbehalve incoherent. Een korte samenvatting van de desbetreffende vorige post mag dit verduidelijken [Voor meer hierover: klik hier].

De vertegenwoordigers van de tradities die uiteindelijk resulteren in de geschriften van het Nieuwe Testament geloven dat God zich op het niveau van de mensheid openbaart als een liefde die mensen in staat stelt om op een waarachtige wijze zichzelf en anderen te aanvaarden. Zulke, niet direct zichtbare liefde bevat het potentieel om mensen te bevrijden van een leven in functie van het verlangen naar erkenning of, anders gezegd, van een leven uit liefde voor een onwaarachtig imago dat waardering moet opleveren. De auteurs van het Nieuwe Testament definiëren op die manier wat “redding” (Engels: “salvation”) is: wie zich bemind weet, wordt meer en meer bevrijd van de neiging om zichzelf en anderen op te offeren aan “de afgodendienst van het sociale prestige”. Tegelijk geloven de nieuwtestamentische schrijvers dat de liefde die dergelijke offers weigert op een uitzonderlijke wijze belichaamd wordt in Jezus van Nazaret, die precies hierom “Christus” wordt genoemd en als dusdanig wordt geportretteerd ter navolging.

Via onder andere literatuurwetenschappelijk onderzoek kunnen deze heren atheïsten voor zichzelf nagaan in welke mate deze karakterisering van de nieuwtestamentische beweringen de kern van het christelijke geloof bevat. Misschien moeten ze dat eens doen vooraleer ze zich overgeven aan de narcistische pretentie om gezaghebbende uitspraken te doen over “alle theologie”. Het blijft vreemd dat Pigliucci zich ergert aan een fout die sommige natuurwetenschappers wel eens maken met betrekking tot “filosofie”, terwijl hij zelf die fout maakt met betrekking tot “theologie”. Vandaag houdt theologie zich bezig met het interdisciplinair wetenschappelijk onderzoek naar het godsbeeld van een bepaalde religieuze traditie, en met de eventuele implicaties daarvan. Dit heeft overigens niets te maken met geloven of niet geloven in God. Om een analogie te gebruiken: je moet het uiteindelijk niet eens zijn met het mensbeeld van Shakespeare om een onderzoek in te stellen naar de mensvisie die in zijn werken tot uiting komt. Kortom, de vragen waarmee theologen zich bezighouden zijn van een fundamenteel andere aard dan de vragen waarmee natuurwetenschappers zich bezighouden, en er moeten op een fundamenteel niveau dus ook geen conflicten verwacht worden tussen beide onderzoeksvelden. In de woorden van Pigliucci’s eerder geciteerde analogie om het onderscheid tussen natuurwetenschap en filosofie in de verf te zetten: “No one is blaming the physicists for not coming up with something new about Jane Austen.”

Georges Lemaître and Albert EinsteinMisschien moeten Pigliucci en co maar een voorbeeld nemen aan Georges Lemaître, Belgisch katholiek priester en vermaard fysicus (onder andere grondlegger van de “Big Bang” hypothese). Lemaître maakt een duidelijk onderscheid tussen de vragen waarmee moderne natuurwetenschappers zich bezighouden en de vragen waarmee de auteurs van het Nieuwe Testament bezig zijn. Sterker nog, volgens Lemaître hebben natuurwetenschappelijke vraagstukken niets met theologie te maken, en vice versa. De gelovige natuurwetenschapper kan zijn geloof dan ook geen enkele rol laten spelen in het strikt natuurwetenschappelijke onderzoek. Enkele citaten van Lemaître uit een artikel (klik hier om het te lezen) van Joseph R. Laracy verduidelijken zijn positie aangaande de verhouding tussen de theologie en de moderne natuurwetenschap:

“Should a priest reject relativity because it contains no authoritative exposition on the doctrine of the Trinity? Once you realize that the Bible does not purport to be a textbook of science, the old controversy between religion and science vanishes . . . The doctrine of the Trinity is much more abstruse than anything in relativity or quantum mechanics; but, being necessary for salvation, the doctrine is stated in the Bible. If the theory of relativity had also been necessary for salvation, it would have been revealed to Saint Paul or to Moses . . . As a matter of fact neither Saint Paul nor Moses had the slightest idea of relativity.”

“The Christian researcher has to master and apply with sagacity the technique appropriate to his problem. His investigative means are the same as those of his non-believer colleague . . . In a sense, the researcher makes an abstraction of his faith in his researches. He does this not because his faith could involve him in difficulties, but because it has directly nothing in common with his scientific activity. After all, a Christian does not act differently from any non-believer as far as walking, or running, or swimming is concerned.”

The writers of the Bible were illuminated more or less — some more than others — on the question of salvation. On other questions they were as wise or ignorant as their generation. Hence it is utterly unimportant that errors in historic and scientific fact should be found in the Bible, especially if the errors related to events that were not directly observed by those who wrote about them . . . The idea that because they were right in their doctrine of immortality and salvation they must also be right on all other subjects, is simply the fallacy of people who have an incomplete understanding of why the Bible was given to us at all.”

De vraag naar wat “redding” of “heil” betekent in nieuwtestamentische zin is inderdaad anders dan bijvoorbeeld de vraag waarom en hoe objecten vallen. Zo eenvoudig kan een inzicht zijn om niet langer als een heroïsche maar narcistische Don Quichot “windmolens” te moeten bevechten. Maar een mens moet zich natuurlijk geen illusies maken: de Maarten Boudry’s van deze wereld gaan zelden of nooit de uitdaging aan om hun geloof aangaande de aard van theologie en religie op een wetenschappelijk verantwoorde manier in vraag te stellen. Maar misschien spreekt nu het narcisme van een theoloog 🙂 ?

atheists and fundamentalists

Nochtans draagt Boudry wetenschap hoog in het vaandel. Zijn vraag aan het publiek aan het begin van de avond luidde dan ook (16:58 – 17:30): “Do you think that science is the sole source of knowing?” Er waren veel mensen die bevestigend antwoordden op deze vraag. Dit impliceert dan dat je een persoon die je nog nooit ontmoet hebt beter kent dan een persoon die je iedere dag ziet als je maar accurate en gedetailleerde wetenschappelijke beschrijvingen hebt van de persoon die je nooit bent tegengekomen (en geen wetenschappelijke beschrijvingen van de persoon die je iedere dag ziet). Een beetje een vreemde vaststelling. Ergens zou je toch geneigd zijn om te denken dat je een persoon die zich iedere dag, oprecht en in vertrouwen, aan jou openbaart beter kent dan de wetenschappelijk beschreven persoon die je nooit hebt ontmoet… Of zou de “echte” en “volledige” identiteit van een persoon (zijn “ziel”, om met een oud woord te spreken) te herleiden zijn tot wat er wetenschappelijk kan over gezegd worden? Opnieuw een beetje vreemd dat je de persoonlijkheid van iemand zou “opsluiten” in wetenschappelijke analyses…

Wat er ook van zij, natuurlijk zijn Maarten Boudry, Massimo Pigliucci, Lawrence Krauss en Daniel Dennett niet louter narcisten. Het is niet omdat ze aangaande theologie weinig zelfkritische ideeën etaleren dat ze op hun eigen onderzoeksdomeinen geen uitstekend werk verrichten. Maar niets menselijks is de mens vreemd. Iedereen is bij tijd en wijle wel eens een narcist. Scholen kunnen een bijdrage leveren om mensen vrijer te maken van hun eigen narcistische impulsen door hen te oefenen in het onderscheiden van hun eigen motivaties: handelen mensen vanuit een narcistisch verlangen naar erkenning, of is de eventuele erkenning die mensen verwerven een gevolg van een liefde die ze ontwikkeld hebben voor mens, natuur en samenleving?

[English translation:]

NARCISSISTIC ATHEISM

The sustained logic in the Gospels and the further developed Christian tradition points in the direction of “Jesus as ultimate, sometimes painfully consistent realist in a world of narcissists”. Certain people, despite all rational arguments, remain blind to this logic. However, this has nothing to do with a supposed “vagueness” of the Christian resources, but once again with a stubborn narcissism.

Fundamentalist Christians, for instance, quite often believe in a God almighty in an actually non-Christian sense (see higher). They have difficulty abandoning a view of God that is not compatible with the understanding of God that can be derived from the Christ figure in the Gospels. Their ultimate defense of unsustainable reasoning often sounds like, “God works in mysterious ways”. That’s their way of ending any type of dialogue, discussion or self-criticism. But some atheists as well rather stick to their ideas of the Christian story (and theology or even religion in general) than question them. Narcissistic, intellectual complacency can be found in every corner. Especially when a rather hostile opinion about the Christian story is identity enhancing. Comments by some atheists, whose perception is often guided by negative emotions, on this post are thus predictable: “This is a particular type of interpretation, and it is all relative eventually. What is there to know? Theology allows everything!” Once again the lazy and cowardly “argument” of “mysterious ways” comes to the fore. Well, if you believe in rational arguments, sustained by scientific research (from literary criticism to history and anthropology), you will find that one interpretation is better and more plausible than the other. Everything is not that “mysterious” or “vague” or “incoherent” as it seems.

The questions “What claims does the Christian story make and what is the essence of the Christian faith?” do have answers which are, from a rational and scientific point of view, more plausible than others. Whatever narcissists may claim. Theists as well as atheists may set up an inquiry to settle those matters.

A debate (on October 17, 2013), organized by Het Denkgelag about “The Limits of Science” – a conversation between Daniel Dennett, Lawrence Krauss, Massimo Pigliucci, and Maarten Boudry (moderator) – illustrated quite comically some of the unquestioned narcissistic prejudices guiding the discussion on religion in so-called “new atheist” quarters.

This tea party of atheists only sporadically rose above the level of musings from a bar, but maybe this was done deliberately to reach a big audience. Anyway, you would think this conversation was “for laughs” if they wouldn’t take themselves so seriously. For instance, it was quite embarrassing how biologist and philosopher Massimo Pigliucci and philosopher Daniel Dennett had to explain to physicist Lawrence Krauss that the criteria to judge whether or not a human action is moral cannot be defined by science. Once the criteria are established – perhaps after long rational considerations – science might help, of course, to produce information concerning the question how to realize a certain type of morality. If you believe, for instance, that the moral character of a deed is determined by the level of happiness it produces, you may scientifically gather knowledge concerning the degree to which a certain deed results in happiness. After you’ve defined what “happiness” actually entails, that is. Which once again implies that a philosophical, rational discussion on the nature of happiness proceeds every possible scientific research. It is very unusual that these basic insights have to be dealt with in such a lengthy fashion (almost twenty minutes explicitly) on an evening that pretends to be a high mass of rationality. The initial “discord” between Pigliucci and Krauss thus had no intellectual power whatsoever. It was due to ignorance from the part of Krauss. Pigliucci eventually summarizes the course of philosophy for freshmen (between minutes 42:40 and 44:00 of the conversation):

“Nobody in his right mind, no philosopher in his right mind, I think, is saying that empirical facts, or even some scientific facts – as should be clear by now, I take a more restrictive definition of science or concept of science than Lawrence does – but even if we want to talk about empirical facts, broadly speaking, nobody is denying […] that empirical facts are relevant to ethical decisions. That’s not the question. The question is […] that the empirical facts, most of the times, if not all the times, in ethical decision making, are going to underdetermine those decisions, those value judgements that we make. So the way I think of ethics is of essentially ‘applied rationality’. You start with certain general ideas. Are you adopting a utilitarian framework? Are you adopting a deontological framework, a virtue ethics framework or whatever it is? And then that essentially plays the equivalent role of, sort of, general axioms, if you will, in mathematics or general assumptions in logic. And from there you incorporate knowledge, empirical knowledge, about, among other things, what kind of beings humans are. Ethics, let’s not forget, is about human beings.”

Moreover, Pigliucci was right to point out that Sam Harris makes a similar mistake as Krauss in his book The Moral Landscape. Of course Harris made a lot of money from the sales of his book, but looked at more closely it is an intellectual misleading of the people that is low on substance. No wonder Pigliucci has to say the following on Harris’ book (48:22-48:44):

“Sam Harris, who you [Maarten Boudry] introduced as a philosopher, I would characterize mostly as a neuroscience based person. I think he would do it that way. When I read his book, ‘The Moral Landscape’ which promised a scientific way of handling ethical questions. I got through the entire book and I didn’t learn anything at all, zero, new about ethics, right?”

Apart from that, Pigliucci is irritated by a number of claims done by some scientists, who speak of philosophy (of science) without having a clue what they are talking about. He once again reacts against certain statements by Krauss (1:12:57-1:13:28):

“First of all, most philosophy of science is not at all about helping scientists answer questions. So it is no surprise that it doesn’t. So when people like your colleague Stephen Hawking – to name names – starts out a book and says that philosophy is dead because it hasn’t contributed anything to science, he literally does not know what he is talking about. That is not the point of philosophy of science, most of the time.”

In short, the discord that threatened to arise between Pigliucci and Dennett on the one hand, and Krauss on the other, was resolved time and again by giving Krauss some “extra classes”. Pigliucci had the courtesy to do this somewhat indirectly, but it is clear that his comments on Stephen Hawking were a way of reproaching Krauss for his “red herring” (the repeated remark of Krauss that philosophy (of science) does not contribute anything directly to science is irrelevant because it is not the aim of philosophy). Pigliucci ended this discussion with an analogy (1:13:59 – 1:14:12):

“So, yes, philosophy of science doesn’t contribute to science, just like science does not contribute to, you know, English literature. Or literary criticism, whatever you want to put it. But so what, no one is blaming the physicists for not coming up with something new about Jane Austen.”

You would expect that Pigliucci is consistent about this analogy when he tries to define different areas of research, but when it came down to theology he too took on the unreflective attitude of Krauss. Boudry and Dennett harmoniously joined their two friends. Apparently the atheists had found a “dead” common enemy, theology, that united them (1:13:46 – 1:13:48):

Lawrence Krauss: “Well, theology, you could say is a dead field…”
Massimo Pigliucci: “Yes, you can say that. Right!”

Already at the beginning of the evening the gentlemen were sure about this issue:

20:11 – 20:21 Maarten Boudry: “Do you think that science, no matter how you define it, or maybe it depends, has disproven or refuted god’s existence?”

21:10 – 21:30
Lawrence Krauss: “What we can say, and what I think is really important, is that science is inconsistent with every religion in the world. That every organized religion based on scripture and doctrine is inconsistent with science. So they’re all garbage and nonsense. That you can say with definitive authority.”

21:50 – 22:42
Massimo Pigliucci: “I get nervous whenever I hear people talking about ‘the god hypothesis’. Because I think that’s conceding too much. Well, it seems to me, in order to talk about a hypothesis, you really have to have something fairly well articulated, coherent, that makes predictions that are actually falsifiable. All that sort of stuff. […] All these [god-] concepts are incoherent, badly put together, if put together at all. […] There is nothing to defeat there. It’s an incoherent, badly articulated concept.”

A previous post, about the question whether or not the Jesus character of the New Testament is a narcissist, is a first falsification of the claims made by Krauss and Pigliucci. Organized religion, based on so-called revelation, scripture and dogma, is not by definition inconsistent with science. Moreover, the New Testament view of God is not at all incoherent. A short summary of the previous post (Jesus Christ, Narcissist?) may clarify this.

The people who are behind the traditions which eventually produce the New Testament writings believe that God is revealed – at least at a human level – in a love that enables human beings to accept themselves and others in an authentic way. This not directly visible love has the potential to emancipate people from a life lived for the sake of (social) recognition or, in other words, from a life lived for the sake of an untruthful image that should produce some sort of appreciation by others. The New Testament authors thus define “salvation” as follows: people who realize that they are loved for who they are (with their flaws and limitations) are saved, more and more, from the tendency to sacrifice themselves and others to “the idolatry of social prestige”. At the same time the New Testament authors are convinced that this love, that refuses those sacrifices, is exceptionally (though not exclusively) embodied in Jesus of Nazareth, who is therefore called “the Christ” and is depicted as the example par excellence that demands imitation.

By applying literary criticism, among other things, the atheist gentlemen may discover whether or not this characterization of the New Testament claims contains the essence of the Christian faith. Maybe they should do that before they surrender themselves to the narcissistic arrogance of being able to judge “all theology”. It is strange that Pigliucci is irritated by the mistakes some scientists make concerning “philosophy” while he makes a similar mistake concerning “theology”. Theology today has to do with interdisciplinary scientific research into the concept of God held by certain religious traditions, and its possible implications. This has nothing to do with the question whether or not someone believes in God. To use an analogy: eventually you don’t have to agree with Shakespeare’s view of human nature in order to pursue an investigation into the anthropology that can be derived from his plays. In short, the questions theologians concern themselves with are from a fundamentally different nature than the questions scientists concern themselves with, so there shouldn’t be any fundamental conflicts between these two areas of research. In the aforementioned analogy of Pigliucci: “No one is blaming the physicists for not coming up with something new about Jane Austen.”

Maybe Pigliucci and co. should take Georges Lemaître as an example. This Belgian Catholic priest and famous physicist (founder of the “Big Bang” hypothesis among others) clearly distinguishes the questions of modern science from the questions the New Testament authors deal with. In fact, according to Lemaître, questions of modern science have nothing to do with theology, and vice versa. The Christian scientist thus cannot let his faith be of any importance for his scientific work. Some quotes from Lemaître, taken from an article by Joseph R. Laracy (click to read) clarify his position regarding the relationship between theology and modern science:

“Should a priest reject relativity because it contains no authoritative exposition on the doctrine of the Trinity? Once you realize that the Bible does not purport to be a textbook of science, the old controversy between religion and science vanishes . . . The doctrine of the Trinity is much more abstruse than anything in relativity or quantum mechanics; but, being necessary for salvation, the doctrine is stated in the Bible. If the theory of relativity had also been necessary for salvation, it would have been revealed to Saint Paul or to Moses . . . As a matter of fact neither Saint Paul nor Moses had the slightest idea of relativity.”

“The Christian researcher has to master and apply with sagacity the technique appropriate to his problem. His investigative means are the same as those of his non-believer colleague . . . In a sense, the researcher makes an abstraction of his faith in his researches. He does this not because his faith could involve him in difficulties, but because it has directly nothing in common with his scientific activity. After all, a Christian does not act differently from any non-believer as far as walking, or running, or swimming is concerned.”

The writers of the Bible were illuminated more or less — some more than others — on the question of salvation. On other questions they were as wise or ignorant as their generation. Hence it is utterly unimportant that errors in historic and scientific fact should be found in the Bible, especially if the errors related to events that were not directly observed by those who wrote about them . . . The idea that because they were right in their doctrine of immortality and salvation they must also be right on all other subjects, is simply the fallacy of people who have an incomplete understanding of why the Bible was given to us at all.”

The question about the meaning of “salvation” in the light of the New Testament indeed is different from, for instance, the question how and why objects fall down. That’s how plain and simple an insight can be in order to stop battling windmills like some heroic but mad and narcissistic Don Quixote. But anyway, a man shouldn’t foster any illusions: Maarten Boudry, Lawrence Krauss and other similar atheists rarely, if ever, rise to the challenge to question their belief regarding the nature of theology in a scientific way. But maybe this is just the narcissism of a theologian speaking now🙂 ?

Nonetheless, Boudry claims that he holds science in high regard. His question for the audience at the beginning of the evening already suggests this (16:58-17:30): “Do you think that science is the sole source of knowing?” A lot of people answered affirmatively. But what does that mean when you meet another person? Does that mean that you don’t ever know that person when you have not analyzed and described him or her scientifically? And, on the other hand: does that mean that you can know a person merely by detailed scientific descriptions, without ever meeting him or her? A bit odd, to say the least. Somehow you would expect that you know the person who reveals himself to you, every day, honestly and faithfully, better than the person you know from scientific descriptions but have never met. Or would it be true that the “real” and “complete” identity of a person (his “soul”, to use an age old word) can be reduced to what science may say about him? Again, a bit odd to “lock up” someone’s personality in scientific descriptions…

Anyway, of course Maarten Boudry, Massimo Pigliucci, Lawrence Krauss and Daniel Dennett are more than just intellectual narcissists. It just so happens that they don’t really show any sign of self-criticism regarding theology. And that’s a pity, really, because scientifically enhanced theological research (based on the historical-critical method) could prevent some of the excesses of fundamentalism. Sure, Boudry et al. are delivering the goods in their own fields of research. However, nothing human is alien to humans… Every once in a while, everyone is a narcissist, no? There might be one exception, though…

Vroeger schreef ik ook wel eens een gedicht. Ter gelegenheid van gedichtendag heb ik mijn poëtische aspiraties even uit de kist gehaald. Ze blijken nog altijd springlevend van naïviteit, overdreven dramatiek, vaak uitgemolken clichés, ongegronde Sehnsucht en teen angst. Af en toe getuigen ze ook van een toevallig begenadigd moment, of van ongeremde experimenteerdrift. En dan worden ze toch nog een beetje interessant. Wat voorligt zijn enkele van de gedichten die door anderen goed genoeg bevonden werden om het tot laureaat van een of andere poëzieprijs te schoppen, voorgedragen te worden, of in een gelegenheidsuitgave opgenomen te worden. Ik verzamel ze nu hier, voor wat ze ook maar waard zijn. Misschien is er een toevallige lezer die ze wel kan smaken.

 

 

portret (sam dillemans)platonische liefde van een half uur en enkele minuten

jij kijkt naar mij
en ik naar jou.

of ik mijn ogen afwenden zou?
“mooi ben jij”

was het antwoord
van mijn ogen-blik.

en geen mens die hoort:
“ja, dat weet ik.”

 

 

as sweet as it gets (michaël borremans)gehaikud

druppels pletsen o-
pen op het modderpad, maar
ik schrijf nog niet dood.

 

Les Lyriek

muisje is in de tas
steunend op de vloer
huisje is in de klas

kreunend op de loer
staat hij naast het geknabbelde gaatje

nu spits een neusje wacht op het startsein
staat hij naast het bebabbelde paadje

nu flits een keusje wacht op het geweest-zijnsleeper (michaël borremans)

raas zoeft hij
voorbij
kaas, proeft hij
blij

de oversteek is gewaagd

de overwinning smaakt zoet
de kwajongensstreek is gevraagd

de trilling raakt bloed

toen gelach, tongen, gezangen, “naar huis” weerklonk
want de les was gegeven
toen zag de jongen, gevangen, een muis die al stonk
nodig voor de les Leven

 

vera (jan vanriet)uitgesproken

de telefoon rinkelt

jij weer, zeg ik

ja, zeg jij

je stem stokt
ik slik

nog de telefoon spreekt:
klik

 

moment

het warme weer
past niet bij dit kil gemoed,the lovers (rené magritte)
de stralen van de zon
niet bij de leegte
van “geen wolkje aan de lucht”.

zo schijnt het.

maar een mens,
hij brandt een winter
slechts moeizaam op.

 

om (jou) te vergeten

mijn hand is gegroefd
van allerlei kwalen

unicorn (michaël borremans)
die ik niet bedwong.
zij kruisen in schets
schrijfsels en papier
als krassen van raven
lachend om te mooie lucht.
‘t smaakt mij bitter, wrang
en gewoon: ‘k drink reeds lang,
zo wil het gerucht.
geen gerecht wil het staven,
nee, geen twijfels hier.
oordeel “scherp niet flets”
dat ik niet genoeg wrong

om jou te verdwalen:
ja, ik ben diep bedroefd.

 

te Val

sprong
over de val
glijdend van euvelle blanc seing (rené magritte)
vallen in een dal

waar trappelend overeind gekomen
reeds wegzinkt in een moeras van bomen

struikel
in de strik
van een boom
gedraaid in struiken verstrikt

en schichtig voort-spartelend al loom
sluipt de slaap voor angstige blik:

de vogel vliegt
nooit meer nu
de slang haar prooi wiegt.

 

spiegelbeeld

mijn ware ik: wie ik wil zijn

taalfout
schets van een spiegel
rand van een scherf
gebroken in splinters
groeipijn
maar het staat en staart
paysage jaune (constant permeke)ik wil bloeden
ik wil kerven
ik wil voelen
leven lopen
maar het staat en staart,
een overkant van wijd rivieren,
rijtlijn van een horizon;
papier tussen hemel en aarde

rust
wit
onrust

ware ik wie ik wil zijn
ik was dichter al ongeschreven

‘Bent u zover, heer?’ fluisterde ze hem toe, volhardend in haar rol. Hij ging over haar heen liggen, kwam in haar, en begon kort en ritmisch te stoten, steeds vuriger en feller. En toen ze met evenveel hartstocht reageerde, zakte haar sluier af en werd haar gezicht volledig zichtbaar. Zal hij me nu herkennen? vroeg Tamar zich af. Zal hij zich terugtrekken of – zoals Tamar het zich voorstelde in een vermetel soort dagdroom – zal hij doorgaan, zelfs al had hij haar herkend? Ja, zou hij misschien met nog grotere hartstocht doorgaan, juist omdát hij haar had herkend? (Kirsch, p. 151).

The Harlot by the Side of the Road (Jonathan Kirsch) coverJaren geleden kocht ik het boek De Ongehoorde Bijbel (Servire, Utrecht, 1997) van Jonathan Kirsch. De titel in het Engels luidt The Harlot by the Side of the Road – Forbidden Tales of the Bible (Ballantine Books, New York, 1997) en verwijst naar het verhaal over Tamar en Juda (Genesis 38). Het bovenstaande tekstfragment komt uit een hervertelling van dit verhaal door Kirsch. Het is maar een van de eigenaardige, weinig gekende en eerder schokkende verhalen uit het Oude Testament die de auteur voor het voetlicht brengt. Interessant is dat de hervertelde verhalen niet alleen telkens naast de vertaalde Bijbeltekst worden geplaatst, maar ook worden gevolgd door historische en culturele achtergrondinformatie.

De incest van Lot en zijn dochters, de verkrachting van Dina, de seksuele gemeenschap tussen Tamar en haar schoonvader Juda, Jefta die zijn dochter offert aan God voor een militaire overwinning van Israël op de Ammonieten, en allerlei andere Bijbelverhalen over geweld, volkerenmoorden en seksuele uitspattingen – het passeert allemaal de revue in het boek van Kirsch. De commentaren die deze verhalen telkens in een historische context plaatsen, maken de verhalen vaak nog vreemder dan ze al zijn, maar openen tegelijk verrassende perspectieven. Het is alsof je als buitenlander uitleg krijgt bij de toespelingen van een stand-up comedian op de politieke situatie van zijn land, zodat je kan meelachen met zijn publiek. Of dat je, meer in het algemeen, vertrouwd geraakt met een cultureel en taal-specifiek idioom, zodat je naast vreugde om wat je leest ook verwondering, verbijstering, woede of verdriet kan voelen.

Kirsch verwijst meermaals naar de manier waarop de joden sinds het prille ontstaan van de Hebreeuwse Bijbel (het Oude Testament) met deze teksten zijn omgesprongen, en dat maakt van die Bijbel een boeiende literaire inspiratiebron. De joodse wijzen – de rabbi’s – uit de Oudheid zijn de eerste beoefenaars van de zogenaamde midrasj: “een meditatie over of beschouwing van de Schrift waarin de boodschap wordt aangepast aan de hedendaagse behoeften” (Geza Vermes). Daarbij putten zij rijkelijk uit de Haggadah (joodse sagen en legenden) en presenteren zij hun uitleg of exegese als een hervertelling die tal van nieuwe betekenissen en associaties oproept. Verzamelingen van zulke exegeses zijn bekend geworden als de Talmoed en de Midrasj.

Het joodse gebruik om verhalen uit te leggen door ze opnieuw te vertellen is natuurlijk ook aanwezig bij andere volkeren. Mensen houden nu eenmaal van verhalen. Het is eveneens aanwezig bij de jood Jezus van Nazaret – niet toevallig soms “rabbi” genoemd – en de schrijvers van het Nieuwe Testament. Jezus’ parabels en uitspraken, alsook de verhalen over hem, staan dan ook bol van vaak nadrukkelijke, soms ook subtiele verwijzingen naar verhalen en teksten uit de Hebreeuwse Bijbel. Deze traditie van intertekstuele verwijzingen heeft zich ook doorgezet in de literaire en bredere artistieke geschiedenis, van de Oudheid, over de middeleeuwen tot nu. Eigenlijk wordt het Nieuwe Testament pas begrijpelijk vanuit de intertekstualiteit: als een interpretatie van de Hebreeuwse Bijbel vanuit bepaalde ervaringen met Jezus van Nazaret.

Het verhaal over Tamar en Juda, uit de titel van Kirsch’ boek, kan als voorbeeld dienen om een en ander te verduidelijken.

Op weg met hoeren en broers

Tamar is de weduwe van Er, de oudste zoon van Juda. Na de dood van haar man wordt zij, volgens het toenmalige gebruik, aan haar schoonbroer Onan toevertrouwd. Als ook hij haar niet zwanger maakt en sterft, wacht haar een twijfelachtig lot. Juda beschouwt Tamar als een onheilsbrenger en doet er alles aan om zijn derde zoon Sela van haar weg te houden. Daardoor dreigt Tamar een kinderloze weduwe te blijven en in een levensgevaarlijke marginaliteit terecht te komen. Jonathan Kirsch verduidelijkt (p. 176-177):

Volgens de Bijbelse wetten, ging het bezit van een man rechtstreeks over op zijn kinderen (Deut 21, 16-17) of zijn andere bloedverwanten (Num 27, 8-11). Een kinderloze weduwe als Tamar had dus geen acceptabele, vaste plaats in de gemeenschap waarin ze leefde; ze kon zich niet zonder grote risico’s wagen aan seksuele gemeenschap, kinderen krijgen of grootbrengen of zelf de kost verdienen; ze was aan handen en voeten gebonden.

Als een vrouw als Tamar het waagde toch met iemand gemeenschap te hebben, werd ze gezien als zo’n groot gevaar voor de maatschappelijke en zedelijke orde van de samenleving uit die tijd dat ze letterlijk moest worden ‘uitgewist’. Een ongetrouwde vrouw die met een man naar bed ging, moest volgens de strenge Bijbelse wetten ter dood worden gebracht (Deut 22, 21), net als de echtgenote die het waagde om vreemd te gaan (Lev 20, 10). Het is veelbetekenend dat de steniging van een ongehuwde vrouw die zich schuldig had gemaakt aan verboden seks, geacht werd te worden uitgevoerd ‘bij het huis van haar vader’; alsof dit bedoeld was om te onderstrepen dat een vrouw zonder acceptabele mannelijke beschermer – haar vader, echtgenoot of volwassen zoon – eenvoudigweg veel te gevaarlijk was om in leven te laten.

Bovendien is Tamar een Kanaänitische vrouw, alleen door haar vroegere huwelijk met Er verbonden aan het volk van Israël. Vreemdelinge, weduwe en kinderloze vrouw: de uitzichtloze, “vervloekte” situatie van Tamar schijnt compleet. Op basis van deze kenmerken alleen al wordt ze door het patriarchale Israël van haar tijd feitelijk verstoten en is ze ten dode opgeschreven. Israël is niet anders dan andere menselijke gemeenschappen die de neiging hebben om hun voortbestaan te verzekeren ten koste van slachtoffers. Tot Tamar een list verzint. Ze vermomt zich als een hoer en slaagt erin om op die manier haar schoonvader Juda te verleiden tot seksuele gemeenschap met haar. De zwangerschap die daarop volgt zal twee zonen voortbrengen: de tweeling Peres en Zerach. Juda kan uiteindelijk niets anders doen dan deze kinderen te erkennen als zijn nageslacht.

Het klinkt misschien eigenaardig, maar door zich als een hoer te vermommen en haar schoonvader te verleiden tot seksuele gemeenschap, zet Tamar de mannenwereld waarin ze vertoeft een hak. Jonathan Kirsch besluit (p. 177-178):

Tamars seksuele hinderlaag voor Juda op de weg naar Timna was de daad van een dappere, vindingrijke vrouw, die weigerde zich neer te leggen bij het lot dat het patriarchaat van het Bijbelse Israël een kinderloze weduwe voorschreef. Ze was niet zomaar een verleidster die door de hoer te spelen haar schoonvader listig ertoe bracht kinderen bij haar te verwekken. Ze was veeleer een vrouw die voor haar rechten opkwam, op de enige manier die voor een vrouw in haar tijdsgewricht en samenleving open stond.

Het verhaal van Tamar is één voorbeeld van “de eigenzinnige vrouw”. In de Hebreeuwse Bijbel is dit een nadrukkelijk aanwezig thema. Het Nieuwe Testament zal er uitgebreid op terugkomen en het ook in verband brengen met een ander thema uit de Hebreeuwse Bijbel, namelijk de rivaliteit tussen broers (al dan niet om het eerstgeboorterecht). Er zij hierbij gedacht aan Kaïn en Abel, Ismaël en Isaak, Esau en Jakob en Jozef en zijn broers. In het verhaal over Tamar is dit thema ook aanwezig. Bij de geboorte van haar zonen is het Zerach die Peres, die net iets eerder geboren zal worden, te slim af is (Gen 38, 28-30):

Perez and ZerahTijdens het baren stak een van de beide kinderen een handje naar buiten; de vroedvrouw greep dit, bond er een rode draad omheen en zei: ‘Deze is het eerst gekomen.’ Maar het kind trok zijn hand terug, en toen kwam zijn broer tevoorschijn. Toen sprak zij: ‘Jij hebt voor een flinke bres gezorgd.’ Daarom noemde men hem Peres. Daarna kwam zijn broer met de scharlaken draad om zijn hand. Hem noemde men Zerach.

De rabbijnse tradities met hun hervertellende uitleg brengen Tamar en haar zonen in verband met een andere, opmerkelijke Kanaänitische: de hoer Rachab. In het Bijbelse boek Jozua speelt deze vrouw een sleutelrol bij de verovering van de stad Jericho en het land Kanaän door de Israëlieten. Zij verbergt immers twee Israëlitische verkenners voor een patrouille die door de koning van Jericho was uitgestuurd. Uit dankbaarheid beloven de verkenners Rachab dat ze haar leven en dat van haar familie zullen sparen. Het enige wat ze daarvoor moet doen is het rode koord, waarmee ze de verkenners van de stadsmuren liet zakken, aan haar raam hangen. Op die manier zullen de Israëlieten haar huis herkennen en weten dat daar een van hun bondgenoten woont. De rabbijnse geleerden beschouwen de niet nader genoemde verkenners vaak als Peres en Zerach. En van het rode koord weten ze te vertellen dat het de rode draad is die om de pols van Zerach was gebonden bij zijn geboorte!

In het Nieuwe Testament, meer bepaald in het evangelie volgens Matteüs, komen Tamar en Rachab samen met twee andere vrouwen – Ruth en Batseba – terecht in de stamboomlijst van Jezus. Het zijn de enige vier vrouwen die in deze lijst vermeld worden en dat is opmerkelijk. Ze hebben met elkaar hun vaak sterke karakters en niet onbesproken seksuele levenswandel gemeen. Hen als de verre moeders van de zogenaamde Christus portretteren is op zijn minst gewaagd. Helemaal provocerend wordt Matteüs als hij Jezus het volgende laat zeggen tegen de hogepriesters en de oudsten van het Joodse volk, nadat hij – en dat is ook niet onbelangrijk in het licht van het voorgaande – een parabel over twee broers heeft verteld (Mt 21, 31):

‘Ik verzeker u, tollenaars en hoeren gaan u voor naar het koninkrijk van God.’

De stamboomlijst met “hoeren” is dus met andere woorden geen toeval. De evangelist Matteüs wil zijn lezers blijkbaar al bij de aanvang van zijn werk duidelijk maken dat de God waarin hij gelooft – die zich te kennen zou geven in Jezus van Nazaret – iets te maken heeft met het perspectief van mensen die doorgaans “in de marge” van de samenleving vertoeven. De stamboomlijst van Jezus is dan ook als het ware een “code”, een “interpretatiesleutel” die de lezer meekrijgt om zowel het evangelie zelf als de Hebreeuwse Bijbel met een bepaalde bril te lezen. Gooi je de stamboomlijst overboord, dan gooi je essentiële informatie overboord om tot een goed begrip van het Matteüsevangelie en de Bijbel in zijn geheel te komen.

Er zijn natuurlijk nog andere interpretatiesleutels aanwezig in zowel de Hebreeuwse Bijbel als het Nieuwe Testament, maar alle wijzen ze in een gelijkaardige richting. In het evangelie volgens Lucas staat bijvoorbeeld het welbekende verhaal over “de Emmaüsgangers”: leerlingen van Jezus die, teleurgesteld en gedesoriënteerd door de kruisiging en dood van hun geliefde meester, wegtrekken van Jeruzalem naar het dorp Emmaüs. Onderweg komen ze een vreemdeling tegen. Deze man is eigenlijk Jezus – die Lucas voorstelt als verrezen –, maar ze herkennen hem niet. Ze geraken aan de praat en eten met hem. Uiteindelijk herkennen ze hem, nadat hij hun de Hebreeuwse Bijbel vanuit een bepaald perspectief heeft uitgelegd, namelijk (Luc 24, 27):

Jezus legde hun uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had, te beginnen bij Mozes en alle Profeten.

Als je de Hebreeuwse Bijbel uitlegt vanuit het perspectief van iemand die verstoten en gekruisigd is, én vanuit de overtuiging dat God zich in deze gekruisigde openbaart, levert je lectuur opmerkelijke resultaten op. Neem bijvoorbeeld het wreedaardige relaas in het zevende hoofdstuk van het al eerder vermelde boek Jozua. Daarin draagt “de Heer” Jozua op om een zekere Achan en al zijn bezittingen te vernietigen nadat Israël een militaire nederlaag heeft geleden. Achan zou goederen in zijn bezit hebben die hem niet toebehoren, en dat zou onheil brengen. Dit is het einde van het verhaal (Jozua 7, 25-26):

Jozua sprak: ‘Omdat je ons in het ongeluk hebt gestort, stort de heer jou vandaag in het ongeluk!’ En heel Israël stenigde hen; zij verbrandden hen en wierpen stenen naar hen. Daarna richtten zij boven hen een grote steenhoop op, die er vandaag nog ligt. Toen bedaarde de hevige toorn van de heer. Daarom heet die plaats nu nog het Achordal.

Joshua 7 25 Brick BibleJoshua 7 25b Brick BibleJoshua 7 25c Brick Bible

Als je dit verhaal leest vanuit het perspectief van wat op “een verstotene” of “een gekruisigde” (Jezus) betrekking heeft van wie je gelooft dat God aan zijn zijde staat, dan moet je wel tot het besluit komen dat Achan, de gestenigde en verbrande, in dit verhaal de persoon is met wie Jezus kan worden geïdentificeerd. En dan kom je ook tot het besluit dat die God allesbehalve de steniging van Achan goedkeurt. Vandaar dat Jezus ook zal zeggen dat hij, in de lijn van bepaalde profeten en psalmen uit de Hebreeuwse Bijbel, gelooft in een God die “barmhartigheid wil, en geen offer” (Mt 9, 13). Vandaar ook dat Jezus als interpretatiesleutel en zelfs leefsleutel meegeeft:

‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’

John Steinbeck And now that you don't have to be perfect you can be goodDeze naastenliefde is misschien wel ethisch, maar allesbehalve moralistisch. Het zijn immers de moraalridders die, vaak met de beste bedoelingen, doorheen de geschiedenis van de mensheid uiteindelijk de grootste wreedheden begaan. Zowel de Hebreeuwse Bijbel als het Nieuwe Testament vormen een kritiek op al te utopische en al te romantische denkbeelden. Wanneer Petrus zijn vriend Jezus verzekert dat hij hem nooit in de steek zal laten, zet Jezus hem met zijn voetjes op de grond – geparafraseerd: “Als puntje bij paaltje komt, als ik gevangen ben en ter dood veroordeeld zal worden, ga je mij in de steek laten; je bent niet de held die je denkt te zijn.” Zulke boodschappen zijn niet altijd aangenaam om te horen. De waarheid kwetst. Petrus is geen superman. En ook de zogenaamd grote figuren uit de Hebreeuwse Bijbel zijn allesbehalve onberispelijk.

De teksten in de Bijbel bevatten in de eerste plaats dan ook een antropologie: ze tonen de mens zoals hij is. In het verlengde daarvan tonen ze vaak ook een God die niet meer blijkt dan een bekrachtiging van kleinmenselijke verzuchtingen. Maar het is precies door dit soort context zonder voorbehoud te schetsen dat ook de kritiek erop zich kan manifesteren of openbaren. In die grote bibliotheek die de Bijbel is, met allerlei verschillende soorten boeken en teksten (die elk een eigen aanpak vergen), breekt gaandeweg een fundamentele kritiek door op de al te grote vooruitgangsdromen en morele superioriteitsgevoelens die mensen kunnen hebben. En dit vanuit het perspectief van de slachtoffers daarvan.

Wat overblijft is een Bijbelse spiritualiteit: je kan regels manipuleren om anderen te onderdrukken, of je kan regels manipuleren om op te komen voor je eigen waardigheid als mogelijkheidsvoorwaarde om op te komen voor de waardigheid van anderen (zie Jezus’ uitspraken: “De sabbat is er voor de mens en niet de mens voor de sabbat” en “Bemin je naaste als jezelf”). Zowel Juda als Tamar zijn corrupte en sluwe kinderen van hun tijd en cultuur, maar het is precies in die corruptie en historische beperktheid dat zich, in het geval van Tamar, iets van een emancipatorische humaniteit manifesteert.

Op weg met Verhulst en Steinbeck, literaire broers

Bloedboek Dimitri Verhulst CoverZoals zijn verhalen en personages is de Bijbel in zijn geheel te rijk, te genuanceerd en te paradoxaal om “helemaal slecht” of “helemaal goed” te zijn. Ik ben dan ook razend benieuwd hoe Dimitri Verhulst, wiens werk ik telkens met graagte lees, de eerste vijf boeken van de Bijbel heeft herverteld in zijn nieuwe roman Bloedboek. Jammer wel dat hij blijkbaar niets doet met de stamboomlijsten in de Pentateuch. Die zouden immers boeiende interpretatieve impulsen kunnen geven, zoals Matteüs dat doet met de stamboomlijst van Jezus in zijn evangelie (zie hoger).

Verhulst bevindt zich met dit project alvast in een kransje van grote literatoren die iets gelijkaardigs hebben gedaan. De lijvigste roman van de Amerikaanse Nobelprijswinnaar John Steinbeck, East of Eden, is bijvoorbeeld een hervertelling van het verhaal over Kaïn en Abel (Gen 4, 1-16). Geen vijf boeken dus, maar één verhaal dat vanuit een inherente rijkdom aan allerlei mogelijke motieven en consequenties wordt “herdacht” voor de periode tussen de Amerikaanse Burgeroorlog en de Eerste Wereldoorlog. Eén van de personages uit de roman (een Chinese butler genaamd “Lee”) vat het universele thema van het Bijbelverhaal en de roman zelf samen, in een antwoord op de vraag op welke manier het verhaal van Kaïn en Abel over ieder mens gaat (John Steinbeck, East of Eden, Penguin Books, p. 271):

East of Eden John Steinbeck Cover“I think this is the best-known story in the world because it is everybody’s story. I think it is the symbol story of the human soul. I’m feeling my way now – don’t jump on me if I’m not clear. The greatest terror a child can have is that he is not loved, and rejection is the hell he fears. I think everyone in the world to a large or small extent has felt rejection. And with rejection comes anger, and with anger some kind of crime in revenge for the rejection, and with the crime guilt – and there is the story of mankind. I think that if rejection could be amputated, the human would not be what he is. Maybe there would be fewer crazy people. I am sure in myself there would not be many jails. It is all there – the start, the beginning. One child, refused the love he craves, kicks the cat and hides the secret guilt; and another steals so that money will make him loved; and a third conquers the world – and always the guilt and revenge and more guilt. The human is the only guilty animal. Now wait! Therefore I think this old and terrible story is important because it is a chart of the soul – the secret, rejected, guilty soul.”

Dimitri VerhulstMeer dan ooit heeft onze wereld nood aan zulke erudiete, literaire benaderingen van Bijbelteksten om aan de valkuilen van fundamentalisme en levensbeschouwelijk extremisme (van zowel gelovige als atheïstische zijde) te kunnen ontsnappen. De Angelsaksische wereld kent liedschrijvers als Bruce Springsteen (met een katholieke achtergrond) en Leonard Cohen (met joodse wortels), om er maar twee te noemen. En wij hebben iemand als Dimitri Verhulst. Ik kan haast niet wachten om te lezen wat hij heeft gedaan met deze universele verhalen over broedermoorden, corrumperende machtsspelletjes, bloedige oorlogen en… moedige vrouwen uit wie een nieuw soort leven aanbreekt. Misschien heeft hij wel de hoer ontdekt die ons “voorgaat naar het koninkrijk van God.” Niet over haar schrijven zou alleszins zonde zijn.

Erik Buys

P.S.: OPEN BRIEF AAN PATRICK LOOBUYCK EN DE PLEITBEZORGERS VAN LEF (PDF; klik hier)

Meer hierover op de Thomas-site (KU Leuven); klik hier.

1. NARCIST OF REALIST?

selfie-syndromeBob ligt niet wakker van wat andere mensen over hem zeggen of denken. Hij weet dat hij kan zingen, ook al beweren de jury’s van The Voice, Idool, X Factor en Belgium’s Got Talent dat zijn kwaliteiten elders liggen. Het hardnekkige geloof van Bob in zichzelf zou bewonderenswaardig zijn als het niet zo tragikomisch was, want ook voor de televisiekijkers is het duidelijk: Bob zingt kattenvals. Blijkbaar kan hij deze werkelijkheid evenwel niet aanvaarden omdat zijn gevoel van eigenwaarde volledig afhankelijk is van een illusoir zelfbeeld. Na het zoveelste negatieve oordeel van een jury stormt hij dan ook met veel misbaar de auditieruimte uit, in zijn verontwaardiging nog trotser dan voorheen. Het is duidelijk dat Bob een narcist is van de eerste orde. Hij is niet in staat om van zichzelf te houden en zijn beperkingen te aanvaarden. Liever leeft hij in de (grootheids)waan dat het oordeel van “de anderen” en hun perceptie van zijn eventuele “fouten” op onkunde is gebaseerd. Uit Bobs woede blijkt natuurlijk wel dat hij eigenlijk de bevestiging van de jury verlangt. Hoe harder hij schreeuwt dat hij hun “bevestiging niet nodig” heeft, hoe meer hij eigenlijk toegeeft dat hij die bevestiging heimelijk en wanhopig verlangt. Maar om zich te verzoenen met zijn eigen situatie moet hij zichzelf wijsmaken dat hij zich wel degelijk niets aantrekt van wat anderen over hem zeggen of denken…

my faults are all your fault

Tweeduizend jaar geleden loopt er in Palestina ook een man rond, een zekere Jezus uit Nazaret, die zich schijnbaar weinig gelegen laat aan het oordeel van zijn medemensen – in zijn geval meestal zijn joodse volksgenoten. De hem omringende “jury” van joodse notabelen (onder wie hogepriesters en schriftgeleerden) laakt hem als hij de maaltijd deelt met “tollenaars en zondaars” (zie bijvoorbeeld Lucas 15, 1-2). Of als hij zich inlaat met zieken en “heidenen”, de zogezegd door God vervloekten. Uiteindelijk gewagen zijn tegenstanders zelfs van een kritiek die eeuwen later een echo vindt in het werk van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900): Jezus is de ultieme verleider van door minderwaardigheidscomplexen geteisterde zielen. Het is gemakkelijk om je geliefd te maken bij de mensen die zich vernederd, uitgerangeerd of onzeker voelen door te vertellen dat ze bemind worden door God.

Als Jezus geen erkenning vindt bij de heersers van zijn tijd wordt dat ruimschoots gecompenseerd door de erkenning die hij geniet van het gewone volk. Bob kan hier alleen maar van dromen. Hij moet het doen met de troostende bevestiging van een handvol “vrienden”. Misschien zit daar ook wel een manipulator bij die Bob emotioneel afhankelijk maakt van de positieve aandacht die hij Bob schenkt. Hoe het ook zij, Jezus schijnt een veel grotere en geraffineerdere aandachtshoer dan Bob. De maatschappelijke elite beschouwt Jezus’ groeiende populariteit zelfs als een bedreiging voor het voortbestaan van de joodse natie. Gedreven door een waanzinnige machtswellust zou Jezus immers een bij voorbaat verloren opstand kunnen ontketenen tegen de Romeinse bezetters. Vandaar de mening van de joodse leiders dat Jezus moet verdwijnen.

Deze redenering, die de terechtstelling van Jezus tracht te rechtvaardigen, krijgt de maatschappelijke elite echter niet aan iedereen verkocht. De evangeliën beweren dat afgunst de werkelijke motivatie vormt van Jezus’ tegenstanders (zie bijvoorbeeld Marcus 15, 10 & Matteüs 27, 18): jaloers op diens populariteit, en zelf bewogen door een ijdel verlangen naar prestige, willen ze Jezus uit de weg ruimen. Zelfs als de evangeliën hieromtrent gelijk zouden hebben, blijft Jezus misschien toch de Übernarcist. Vele malen erger dan de arme Bob. Immers, op het moment dat hij quasi door alles en iedereen veroordeeld of in de steek gelaten wordt, kan Jezus er zichzelf nog van overtuigen dat hij bemind wordt door een imaginair vriendje – zijn goddelijke “papa”, zijn “Abba”. En wat is de liefde van mensen in vergelijking met de liefde van een God? Het lijkt wel alsof Jezus bereid is om het ergste lijden te doorstaan in ruil voor de goddelijke heldenstatus die hem zal toebedeeld worden. Kortom, Jezus verschijnt in dit opzicht als een compleet getikte, narcistische masochist die liever sterft voor een zelf in het leven geroepen imaginaire sadist dan te aanvaarden dat hij niets te betekenen heeft. Er rest hem niets anders dan deze wereld als een “miskend genie” te verlaten en te kiezen voor de zogezegd “goddelijke dimensie” waar hij thuishoort. Slechts één enkele keer schijnt Jezus aan zijn megalomane constructie te twijfelen. Net voor zijn gefolterde, aan het kruis gespijkerde lijf het begeeft, schreeuwt hij (Mt 27, 46): “Eloi, Eloi, lema sabachtani?” Dat betekent: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?” Niettemin, zelfs dan spreekt hij nog tot een goddelijke papa die hem liefde zou moeten betuigen.

selfie pics healingDe aldus geportretteerde Jezus – het archetype van de narcist – vindt vele varianten in concrete personen doorheen de geschiedenis. Hij zou overigens geen archetype zijn als niet ieder mens narcistische neigingen kent. Maar natuurlijk zijn er uitgesproken gevallen. Bob bijvoorbeeld. Maar ook de IS-strijder die zich afkeert van de wereld waarin hij zich miskend voelt en in de plaats daarvan kiest voor een omgeving waarin hij zogezegd “aan de zijde van God” vertoeft. Of het onzekere meisje dat zich opsluit in de verheerlijking van een gehaaide, manipulerende goeroe die haar hunker naar bevestiging uitbuit. Of iemand als Adolf Hitler, die liever uit het leven stapt dan zijn nederlaag onder ogen te zien.

scientists-have-announced-a-new-unit-to-accurately-measure-narcissism-the-selfie-per-hourEn toch… Wie de evangeliën leest, kan zich moeilijk van de indruk ontdoen dat er iets anders aan de hand is bij die Jezus van Nazaret dan bij Bob, de IS-strijder en het onzekere meisje. Of dan bij de gehaaide goeroe en Adolf Hitler. C.S. Lewis (1898-1963) verwoordt het heel scherp in zijn boek Onversneden Christendom: “Ik probeer te voorkomen dat iemand de werkelijk dwaze uitspraak doet die mensen vaak over Jezus doen: ‘Ik ben bereid om Jezus te accepteren als een groots moreel leraar, maar ik accepteer niet de claim dat Hij God is.’ Dat is de éne uitspraak die we niet kunnen doen. Een man die niets meer was dan een gewone mens maar die het soort dingen zei die Jezus zei zou geen groots moreel leraar zijn. Hij zou of een gek zijn – op het niveau van de man die beweert een gepocheerd ei te zijn – of zelfs de Duivel van de Hel. Je moet een keuze maken. Of deze man was, en is, de Zoon van God; of hij was een gek of iets ergers. Je kan Hem opsluiten als een idioot, je kan Hem bespuwen en Hem als een demon vermoorden; of je kan aan zijn voeten neervallen en Hem Heer en God noemen. Maar laten we niet beginnen met die paternalistische nonsens over wat een groots menselijk leermeester Hij was. Hij heeft ons die optie niet gelaten. Dat was ook niet zijn bedoeling.”

Korter geformuleerd luidt het dilemma van Lewis (in de lijn van al het voorgaande): ofwel was Jezus de narcist bij uitstek, ofwel was hij de ultieme realist in een mensenwereld die keer op keer ten onder dreigt te gaan aan allerlei snobistische ijdelheden, idealistische utopieën, sektarische tendensen en “de afgodendienst van het sociale prestige”. Als ultieme realist in een door narcistische illusies gekwelde mensenwereld zou hij dan inderdaad “van een andere wereld” zijn.

2. WAAROM JEZUS VAN NAZARET GEEN NARCIST IS

Er zijn redenen om althans ten minste al aan te nemen dat Jezus niet de narcist is waarvoor hij zojuist is versleten.

Een eerste vaststelling is dat precies hij vaak degene is die mensen confronteert met hun eigen narcistische trekken. In het bijzijn van, bijvoorbeeld, een groep mensen die op het punt staat om een overspelige vrouw te stenigen (Joh 8, 1-11), brengt Jezus ieder individu enige realiteitszin bij. Hij vraagt aan de mensen om te overwegen in welke mate ze zelf “zonder zonde” zijn. Waarna hij besluit dat wie zonder zonde is een eerste steen mag werpen. Op het eerste gezicht is dit louter een slim trucje waarmee Jezus controle verwerft over de situatie. Geen enkele jood zou immers van zichzelf beweren volmaakt te zijn. Dat zou betekenen dat die van zichzelf beweert als God te zijn, en dan zou het eerste van de tien geboden overtreden worden. Niemand kan dus een steen werpen, want dat zou zelf een van de grootste zonden zijn. Op een dieper niveau is het precies Jezus’ volgehouden “beeldenstorm” van valse zelfconcepten die, los van de eventuele maatschappelijke positie die Jezus zelf daardoor bereikt, nieuwe relaties tussen mensen mogelijk maakt.

Een tweede reeks vaststellingen contra de portrettering van Jezus als narcist dringt zich op. Jezus’ zogenaamde beeldenstorm kent twee aspecten en ze verduidelijken al meteen hoe grondig Jezus verschilt van goeroes die de gemanipuleerde adoratie nodig hebben van verzwakte geesten.

not peace but a swordAan de ene kant, in de groep waartoe iemand behoort en die zich vaak manifesteert ten koste van een gemeenschappelijke vijand (bijvoorbeeld die overspelige vrouw), zaait Jezus tweedracht. Niet toevallig beweert hij (Mt 10, 34-36): “Ik ben geen vrede komen brengen, maar een zwaard. Want Ik ben gekomen om een wig te drijven tussen zoon en vader, tussen dochter en moeder, tussen schoondochter en schoonmoeder; ja, huisgenoten worden vijanden.” Deze intentie van Jezus, om conflict te brengen waar een bepaalde orde heerst, vormt paradoxaal genoeg een pleidooi tegen geweld. Familieleden die slaafs gehoorzamen aan een pater familias, stamgenoten die zich eensgezind superieur wanen aan andere groepen, criminele bendes die een blinde trouw zweren aan de maffiabaas, sekteleden en fundamentalistische gelovigen die bereid zijn om voor hun leider te strijden tot de dood, angstige werknemers die in een verziekte werkomgeving hun ziel verkopen om hun job te behouden, al dan niet jeugdige kliekjes die de interne samenhorigheid versterken door zich over te geven aan pestgedrag, hele naties die dansen naar de pijpen van een populistische dictator en zogenaamde “volksverraders” executeren – Jezus moet er niet van weten.

Pax Romana Crucifixion Via AppiaTegenover de kleine en grote “vredes” die gebaseerd zijn op onderdrukking en geweld, waarvan de Pax Romana in Jezus’ tijd natuurlijk een duidelijk geval is, plaatst Jezus de uitdaging om op een andere manier “vrede” te bewerken. Familieleden die tot een “thuis” behoren waar ze met elkaar kunnen discussiëren, leden van twee vijandige stammen die eeuwenoude vetes beslechten door de eigen beeldvorming van “de andere stam” in vraag te stellen, criminelen die als “mollen” beginnen te functioneren en hun gewelddadige maffiabende helpen op te rollen, fundamentalisten die – beseffend wat ze de zogezegd “niet-uitverkorenen” soms aandoen – zichzelf bevrijden van religieuze indoctrinaties, werknemers die een schrikbewind op de werkvloer aanklagen, individuen die de rechtvaardigingen voor het pestgedrag van hun eigen kliekje bekritiseren, pacifisten die het conflict durven aan te gaan met het gewelddadige bewind van een dictatuur en die haar “vijandbeelden” als groteske karikaturen ontmaskeren – Jezus moet er van weten. Bemin uw vijand”, zegt Jezus (Mt 5, 44). Wie de externe vijand van zijn eigen groep niet langer veroordeelt op basis van een opgeklopt superioriteitsgevoel, creëert intern verdeeldheid: “Huisgenoten worden vijanden.” Dat is de logica zelve.

Peace I leave with youKortom, Jezus pleit voor niet-gewelddadig conflict om een einde te stellen aan gewelddadige vrede. Vandaar dat hij uiteindelijk kan zeggen (Joh 14, 27): “Vrede laat Ik jullie na, mijn eigen vrede geef Ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft.” Daarbij laat hij niet na om bestaande structuren te herijken en te transformeren, eerder dan ze simpelweg te vernietigen. Dit is, als het uiteindelijke resultaat van het eerste aspect van Jezus’ beeldenstorm, overigens een tweede reden om Jezus niet als een machtswellustige, na-ijverige narcist te karakteriseren. Jezus vervangt de bestaande, wereldse orde niet door, in concurrentie daarmee, zijn eigen wetten te stellen. Indien dat wel het geval zou zijn, dan zou hij niets anders zijn dan het zoveelste boosaardige en paranoïde meesterbrein dat megalomane complotten beraamt voor wereldheerschappij. Dat Jezus historisch ervaren wordt als iemand die de afgunstige machtsdrang van zijn omgeving niet imiteert, verduidelijkt onder andere de evangelist Matteüs door het mythologische verhaal te vertellen van Jezus’ beproeving door de duivel in de woestijn (Mt 4, 8-10):

Blake - Kingdoms

De duivel nam Jezus mee naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, en zei: ‘Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.’ Toen zei Jezus hem: ‘Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’

Wat “God dienen” inhoudt, verwoordt Jezus ondubbelzinnig in een gesprek met een wetgeleerde (Mt 22, 35-40):

Een wetgeleerde vroeg Jezus, om Jezus op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’

Met andere woorden, christelijk gezien openbaart God zich – althans op het niveau van de mens – in de niet direct meetbare, onzichtbare realiteit van de naastenliefde (ook wel barmhartigheid genoemd). Jezus is er letterlijk van doordrongen dat de bron van waaruit hij leeft “barmhartigheid wil, geen offer” (Mt 9, 13). Deze overtuiging heeft paradoxale consequenties. Ze houdt, zoals reeds vermeld, ten eerste al in dat Jezus, gehoorzamend aan de dynamiek van die liefde, niet aanstuurt op het offer van de bestaande wereldse structuren om een eigen heerschappij te vestigen. Hij zegt dan ook (Mt 5, 17):

“Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om ze op te heffen, maar om ze te vervullen.”

Het primaat van de naastenliefde houdt in dat bestaande wetten, structuren en rituelen afgetoetst worden aan de mate waarin ze al dan niet tegemoet komen aan het vermijden van slachtoffers en het in stand houden van een authentiek mensenleven. De mens moet niet leven in functie van regels, als zou het onderhouden van een maatschappelijk systeem en zijn regels een doel op zich zijn, maar regels moeten middelen zijn ten dienste van mens en samenleving. Als Jezus en zijn leerlingen commentaar krijgen op het feit dat ze strikt genomen, volgens de joodse wet, zaken doen die op de rustdag – de sabbat – verboden zijn, antwoordt Jezus dan ook (Mc 2, 27):

“De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.”

Eigenlijk stelt Jezus doorheen de evangeliën voortdurend de vraag of mensen handelen vanuit liefde voor zichzelf en anderen (wat de christelijke traditie identificeert met “handelen vanuit God”), of vanuit de liefde voor een of andere sociale status die erkenning moet opleveren (wat de christelijke traditie identificeert met “handelen omwille van een afgod”). Jezus bekritiseert de handelingswijze van bepaalde mensen als die zich voordoet in functie van het verlangen naar erkenning (Mt 6, 1-6):

“Pas op dat jullie je gerechtigheid niet doen voor het oog van de mensen, om door hen gezien te worden. Anders wacht je geen loon bij jullie Vader in de hemel. Dus wanneer je barmhartig bent, loop er dan niet mee te koop, zoals de schijnheiligen dat doen in de synagogen en op straat, om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. Maar als jij barmhartig bent, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechter doet, opdat je barmhartigheid in het verborgene gebeurt; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen. En wanneer je bidt, wees dan niet als de schijnheiligen; zij staan graag in de synagogen en op de hoeken van de straten te bidden, om op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.”

Deze tekst kan op het eerste gezicht gelezen worden als een bevestiging voor een waanzinnig en wanhopig narcisme van Jezus: wie het risico loopt om niet erkend te worden door andere mensen – zoals Jezus zelf –, kan altijd rekenen op de erkenning van een imaginaire goddelijke “papa”. Alleen is de “Vader, die in het verborgene ís” de liefde zélf die zich realiseert onafhankelijk van de vraag of ze al dan niet “succes” oplevert. Christelijk gezien is de liefde die mensen in staat stelt om zichzelf en hun medemensen te aanvaarden – en die dus “offers weigert” – niet iets dat de erkenning van God oplevert, maar een manifestatie van God zélf “op mensenmaat”. De eerste brief van Johannes verwoordt deze overtuiging haarfijn (1 Joh 4, 7-8):

God is LoveGeliefden, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is uit God geboren, en kent God. De mens zonder liefde kent God niet, want God is liefde.

De atheïst die er prat op gaat dat hij “geen goddelijke beloning” nodig heeft “om goed te doen”, loopt nog altijd te koop met zijn eigen “goedheid”. De liefde waarover de evangeliën spreken is bij uitstek niet altijd onmiddellijk zichtbaar, en ook niet afhankelijk van zichtbaarheid. Werpt bijvoorbeeld een leerling op de speelplaats afval in de vuilnisbak uit respect voor zijn medeleerlingen? Of omdat hij de goedkeuring verlangt van zijn leerkrachten en, tegelijk, omdat hij wil vermijden dat hij zou gestraft worden? Het is inderdaad niet onmiddellijk zichtbaar of een leerling zich aan bepaalde regels houdt en meewerkt aan een bepaalde orde uit naastenliefde of uit liefde voor zijn imago. In het laatste geval wordt hij altijd ook gedreven door de angst om niet aan dat imago te voldoen. Alweer slaat de eerste brief van Johannes de nagel op de kop (1 Joh 4, 18):

De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.

Wie angstig is, heeft de neiging om zich te richten naar veronderstelde verwachtingen van “betekenisvolle” anderen om er erkenning van te krijgen. Deze dynamiek is evenwel tragisch, en Jezus verwoordt dit zeer scherp in de evangeliën (Mt 16, 25a-26a):

Jamaican reggae star Bob Marley (1945 - 1981). (Photo by Keystone/Getty Images)

“Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt?”

Wie, vanuit angstige onzekerheid of romantische megalomanie, droomt van een utopisch geluksparadijs (“de perfecte partner” of “de perfecte job” of zelfs “de perfecte samenleving”), vertoont nogal eens masochistische trekken. Mensen zouden inderdaad letterlijk hun ziel, lijf en leden verkopen als je ze kan wijsmaken dat ze daarmee een “hele wereld” verwerven. De mens die aldus een al te laag of een al te hoog zelfbeeld ontwikkelt, is uiteindelijk niet meer geïnteresseerd in zichzelf, en is eigenlijk ook niet geïnteresseerd in anderen. Hij is slechts geïnteresseerd in anderen in de mate dat die het verlangen naar erkenning bevredigen. Daarnaast gaan die anderen ook geen relatie aan met de naar erkenning hunkerende persoon zélf, maar met een imago. Kortom, de persoon die zichzelf modelleert naar een imago dat erkenning moet opleveren, wordt dus uiteindelijk niet erkend om wie hij is. Vandaar: “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.”

Bovendien offeren mensen niet alleen zichzelf op aan de bekommernis om een sociaal aanvaardbaar imago. Om hun imago of narcistisch zelfconcept te beschermen, moeten vroeg of laat ook andere mensen eraan geloven. En precies daartegen reageert Jezus.

Bob Marley money is numbersWie handelt vanuit het verlangen naar erkenning en zichzelf verliest, is eigenlijk “dood”. In termen van het Nieuwe Testament heeft zo iemand “het eeuwig leven niet blijvend in zich”. Hij moet zijn identiteit immers voortdurend aanpassen aan steeds wisselende en dus immer vergankelijke imago’s om sociaal te “scoren”. Wie het spel om sociaal succes wil winnen, zal moeilijk kunnen verkroppen dat iemand anders ook erkenning krijgt en jaloers worden. Als je de ander alleen kan beschouwen als een hatelijke concurrent voor je eigen positie, zie je hem liever verdwijnen. In extremis ook letterlijk. Daarop wijst de bekende mythe uit Genesis over Kaïn en Abel. Beide broers geven een geschenk. Kaïn kan evenwel niet verdragen dat het geschenk van zijn jongere broer Abel meer geapprecieerd wordt. Daaruit blijkt dat Kaïn geen geschenk geeft uit liefde, om iemand gelukkig te maken – anders zou hij blij zijn dat de geadresseerde welbehagen schept in het geschenk van zijn broer -, maar wel vanuit zijn verlangen naar erkenning. Bijbels gezien zijn handelingen vanuit “de liefde voor een imago dat erkenning moet opleveren” zondig en staan ze de zogenaamd “goede” handelingen vanuit “liefde voor zichzelf en de ander” in de weg. Wat natuurlijk niet betekent dat erkenning verwerven op zich slecht is. Als de erkenning die iemand ten deel valt, en de trots die hij daarbij ondervindt, het onbedoelde gevolg zijn van zijn handelingen, is er geen probleem. De moordzuchtige jaloezie bij de archetypische Kaïn kan alleen ontstaan omdat hij leeft in functie van zijn verlangen naar erkenning, omdat het “trots kunnen zijn” zijn doel is. Omdat Kaïn obsessief bezig is met wat hij zogezegd mist, blijft hij daarenboven blind voor de aandacht die hem wel degelijk geschonken wordt. In het Nieuwe Testament worden zulke motieven uit de joodse Bijbel op een radicale wijze hernomen, en de eerste brief van Johannes formuleert alweer niet toevallig (1 Joh 3, 11-15):

from death to lifeDit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt: dat wij elkaar moeten liefhebben. Wij mogen niet zijn zoals Kaïn, die een kind van de boze was en zijn broer vermoordde. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer goed. Broeders en zusters, wees niet verwonderd als de wereld u haat. Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven; wij weten het, omdat wij onze broeders liefhebben. De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood. Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar, en u weet dat een moordenaar het eeuwig leven niet blijvend in zich heeft.

De auteurs van het Nieuwe Testament voeren de mogelijkheid om de narcistische competitie voor “de meest verheven sociale status” te staken terug op een liefde die in Jezus van Nazaret een uitzonderlijke belichaming krijgt. Zij proberen te verduidelijken dat Jezus van Nazaret keer op keer aan mensen de mogelijkheid schenkt om te verrijzen – naar de zopas vermelde woorden uit de eerste brief van Johannes: Jezus schenkt aan mensen de mogelijkheid om “over te gaan van de dood (een leven in functie van sociaal aanvaardbare imago’s) naar het leven (een waarachtig leven in liefde)”. Natuurlijk houdt dat risico’s in. Wie niet langer leeft in functie van een wereld gedomineerd door de hang naar prestige, omdat hij het wil opnemen voor de slachtoffers van de strijd om dat prestige, “moet niet verwonderd zijn dat de wereld hem haat”. Niettemin, in plaats van zich af te vragen waaraan hij moet voldoen “om erbij te horen”, vraagt Jezus zich af hoe hij ervoor kan zorgen “dat zij die er niet bij horen er weer bij kunnen horen”. Een gebed dat toegeschreven wordt aan Franciscus van Assisi (1181/1182-1226) vraagt dan ook om zich in deze dynamiek in te schrijven: “Maak dat ik er niet naar streef om bemind te worden, maar om te beminnen…” Dit is het tweede aspect van Jezus’ hoger vermelde beeldenstorm. Het is onmiddellijk ook een derde argument tegen diens portrettering als narcist. Als Jezus het opneemt voor de gemeenschappelijke vijand of het gemakkelijke slachtoffer van een eensgezinde groep, dan heeft hij niet de ambitie om die persoon van de groep – zijn sociale omgeving – te vervreemden. Goeroes die uit zijn op de erkenning van gemakkelijk te manipuleren slachtoffers, halen de mensen die ze zogezegd “redden” doelbewust weg uit hun omgeving om ze aan zich te binden. Jezus plaatst telkens weer gemeenschappen voor de uitdaging om de individuen die ze marginaliseerden op een of andere manier toch een plaats te geven. Als hij bijvoorbeeld een bezetene uit Gerasa geneest (Mc 5, 1-20), verbiedt hij deze voormalige “dorpsgek” om hem te volgen. In de plaats daarvan stuurt Jezus hem terug naar zijn thuis. Onder andere hieruit blijkt dat het niet Jezus zijn doel is om zich populair te maken bij een aantal volgelingen, hoewel dat natuurlijk vaak een onbedoeld gevolg is. Uit alle verhalen blijkt dat Jezus, los van zichzelf, relaties van liefde tussen mensen wil mogelijk maken, relaties die niet gebaseerd zijn op offers als gevolg van de liefde voor sociaal aanvaardbare imago’s. Samengevat: de paradoxale liefdesdynamiek waaraan Jezus tracht te gehoorzamen vervreemdt mensen van hun eigen narcistische identiteitsopvattingen (collectief of individueel), en opent de weg voor waarachtiger relaties die het offer van een voormalige “vijand” weigeren.

Martin-Luther-King-Jr-Responsible-Quotes

Zoals reeds vermeld, is het optreden van Jezus niet zonder gevaren. Wie het voortdurend opneemt voor “de sociaal gekruisigden”, loopt het gevaar om zelf ook gekruisigd te worden. Aldus geschiedt. Voor alle duidelijkheid: Jezus hoopt niet heimelijk dat hij zal gekruisigd worden om als “held” de geschiedenis in te gaan. Als hij het opneemt voor de overspelige vrouw hoopt hij dat de menigte haar barmhartigheid zal betonen. Hij hoopt niet stiekem dat de menigte haar én hem zal stenigen. Dat is althans de indruk die de evangeliën wekken. Ze vertellen ook verschillende keren hoe Jezus vlucht als hij merkt dat mensen hem willen doden. Uiteindelijk zal echter het moorddadige net dat zijn tegenstanders spannen zich rondom Jezus sluiten. Zoals later ook iemand als Martin Luther King (1929-1968), is Jezus zich welbewust van bepaalde doodsbedreigingen, en hij waarschuwt zijn apostelen dat er een moment zal komen waarop er geen weg meer terug is. Petrus wil dit aanvankelijk niet aanvaarden, waarop Jezus hem terechtwijst (Mt 16, 22-26a):

Petrus nam Jezus apart en begon Hem de les te lezen: ‘God beware U, Heer! Dat mag U niet overkomen.’ Maar Hij van zijn kant zei tegen Petrus: ‘Weg daar, achter Mij, satan. Je bent een struikelblok voor Mij, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.’ Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij, zal het vinden. Want wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt?’

Jezus weet dat Petrus hem tracht te verleiden om zich als een machtige koning te manifesteren. Blijkbaar heeft Petrus niet door wat voor soort leiderschap Jezus eigenlijk beoogt, hoewel hij Jezus even tevoren wel “Messias” heeft genoemd. Opnieuw wijst Jezus de bekoring af om zijn ziel te verkopen in een concurrentiestrijd met “de koningen van deze wereld”. Hij weet immers dat de strijd om de hoogst mogelijke maatschappelijke status offers vraagt, dat mensen zowel zichzelf als anderen verliezen aan die strijd. En dat wil hij niet. In de plaats daarvan wil hij een andere dynamiek op gang brengen. Jezus beweert dat “wie zijn leven verliest vanwege Hem het zal vinden”. En ook dit is alweer de logica zelve. Wie kiest voor de sociaal gemarginaliseerde medemens, verliest zichzelf niet aan de afgodendienst van een sociaal aanvaardbaar imago, en “vindt” dus zichzelf. Jezus staat uiteindelijk op de positie van al wie wordt uitgestoten. Als zijn goede vriend Petrus het na zijn arrestatie voor hem zou opnemen in plaats van hem te verloochenen, dan zou Petrus zich inderdaad niet verliezen aan een leugenachtig sociaal profiel.

Crowning of Thorns CaravaggioOndanks alle mooie beloftes van Petrus – die Jezus opnieuw als narcistische illusies zal ontmaskeren – staat Jezus er ten slotte alleen voor. Zoals hij al heeft aangekondigd, weigert Jezus de – in de woorden van René Girard – mimetische rivaliteit met “de heersers van deze wereld” die hun macht vestigen op basis van offers. Paradoxaal genoeg betekent dit dat Jezus, als hij het blijft opnemen voor wie slachtoffer dreigt te worden, op een bepaald moment inderdaad misschien geen barmhartigheid meer zal ondervinden en bereid zal moeten zijn om zelf te sterven – zich met andere woorden “te offeren tegen het offer”. Nogmaals: omdat Jezus weigert “zichzelf te kruisigen” ten voordele van een verheven, alles controlerende machtspositie en omdat hij het opneemt voor wie gekruisigd wordt, loopt hij het risico om gekruisigd te worden. Wie het opneemt voor de gepeste, loopt het gevaar om zelf gepest te worden. Als Jezus dan bidt tot zijn “Vader” om, indien mogelijk, “de kelk van lijden en dood” aan hem te laten voorbijgaan, en er vervolgens bij zegt dat “niet zijn wil, maar de wil van zijn Vader geschiedde” (Mt 26, 39), is het niet echt plausibel om deze zin te interpreteren als zou Jezus plotseling wél geloven in een God die “offers wil”. Heel het evangelie door is Jezus er immers van overtuigd dat zijn Vader “barmhartigheid wil, en geen offer” (Mt 9, 13), en hij handelt ook consequent vanuit die dynamiek: waar mensen geofferd dreigen te worden, grijpt hij in. Maar als Jezus weigert om de rivaliteit aan te gaan met wie zijn heerschappij en positie vestigt op basis van offers, rest hem geen andere uitkomst dan in te calculeren dat hij kan sterven. Gehoorzamend aan de barmhartigheid die geen offers wil, kan Jezus geen chaotische burgeroorlog ontketenen die de samenleving in het verderf stort. Tijdens zijn ondervraging door Pilatus zegt de gearresteerde Jezus dan ook (Joh 18, 36): “Mijn koningschap is niet van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn dienaars er wel voor gevochten hebben dat ik niet werd overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld.”

Deze uitspraak ligt in de lijn van eerdere beweringen van Jezus. Bijvoorbeeld op het moment dat farizeeën hem voor de zoveelste keer op de proef komen stellen. Eigenaardig genoeg beginnen die met de vaststelling dat Jezus niet wakker ligt van wat andere mensen over hem denken, en tegelijk suggereren ze dat de in hun ogen “arrogante man uit Nazaret” blijkbaar genoeg heeft aan de erkenning van God. Als Jezus op hun vraag (zie verder) zou antwoorden dat de joden belasting moeten betalen aan de keizer, dan zou hij de populariteit bij het gewone volk verliezen – hij zou immers als een “collaborateur” van de bezetter beschouwd worden. Als hij daarentegen zou zeggen dat de joden geen belasting mogen betalen, dan zouden de jaloerse joodse autoriteiten hem als een staatsgevaarlijk opstandeling kunnen afschilderen bij de Romeinse overheid, en zich op die manier ontdoen van de man die ze als een concurrent voor hun eigen machtspositie beschouwen. Jezus wordt echter niet gedreven door een verlangen naar deze of gene erkenning of machtspositie. Hij concurreert niet met de koningen en heersers van deze wereld om “de machtigste despoot” te worden. Zijn antwoord ontmaskert op een magistrale wijze het projectieve narcisme van de farizeeën, en maakt ook opnieuw duidelijk dat de God van Christus – de liefde – geen surrogaat of rivaal is voor een eventueel gemiste sociale erkenning (Mt 22, 15-21):

De farizeeën gingen weg en maakten plannen om Jezus in zijn redenering te verstrikken. Ze stuurden hun leerlingen op Hem af, samen met de herodianen. Die zeiden: ‘Meester, we weten dat U een waarheidslievend man bent en naar waarheid onderricht geeft over de weg van God, en U door niemand laat beïnvloeden, want U ziet geen mens naar de ogen. Zeg ons dan wat U hiervan vindt: mag men belasting betalen aan de keizer of niet?’ Maar Jezus, die hun kwalijke opzet doorzag, zei: ‘Waarom stelt u Me op de proef, huichelaars? Laat Mij eens een belastingmunt zien.’ Ze gaven Hem een denarie. Hij zei hun: ‘Van wie is die afbeelding en het opschrift?’ Ze zeiden hem: ‘Van de keizer.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.’ Toen ze dat hoorden, stonden ze verbaasd; ze lieten Hem met rust en gingen weg.

Ook zijn eigen leerlingen wijst Jezus terecht als hij bij hen een afgunstige concurrentiestrijd vaststelt om “de grootste” te zijn. Het leiderschap van Jezus is niet gebaseerd op het verwerven van zoveel mogelijk macht in de zin van controle, of op het uitschakelen van mogelijke rivalen. Dienstbare, kwetsbare liefde is scheppend en gunt, vanuit haar overvloed, juist aan anderen de genade en de macht om te “zijn” (Lc 22, 24-27):

Er ontstond onder de leerlingen van Jezus onenigheid over de vraag wie van hen wel het belangrijkst was. Hij zei hun echter: ‘Bij de heidenen spelen koningen de baas, bij hen laten machthebbers zich weldoener noemen. Bij jullie mag dat niet zo zijn. De grootste van jullie moet de minste worden, en de leider de dienaar. Want wie is het belangrijkst? Die aan tafel ligt, of die bedient? Die aan tafel ligt toch zeker! Maar Ik ben in jullie midden de dienaar.’

Met de liefde die Jezus beleeft, kan hij – in de spottende woorden van zijn belagers – inderdaad “anderen redden, maar zichzelf niet” (Mt 27, 42). Het geloof in “een almachtige God” in christelijke zin is dan ook niet het geloof in een God die alle touwtjes in handen heeft (contra bijvoorbeeld Etienne Vermeersch’ onhoudbare opvatting van het christelijke godsbeeld). Het is het geloof in een liefde die zich, onafhankelijk van het uiteindelijke resultaat van haar werking en slechts in deze zin “almachtig” en “scheppend”, telkens opnieuw geeft. Zie bijvoorbeeld het commentaar van de belangrijke katholieke theoloog Hans Urs von Balthasar (1905-1988) bij het Credo, als hij de zin “Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde” uitlegt (uit Credo – Overwegingen bij de Apostolische Geloofsbelijdenis, Schrift en Liturgie 17, Abdij Bethlehem Bonheiden, 1991, p.34-35; vertaling: Benedictinessen van Bonheiden): “Het is… essentieel, in eerste instantie de onvoorstelbare macht van de Vader in de kracht van de overgave van zichzelf te zien, dit betekent in de kracht van zijn liefde, en bijvoorbeeld niet in de willekeur van dit of dat te kunnen. En het is even essentieel de almacht van de liefde van de Vader niet als iets heftigs te verstaan dat ons eerder verdacht lijkt, als iets eruptiefs dat indruist tegen de logica, omdat zijn zelfgave zich tegelijk voordoet als een zichzelf denken, een zichzelf uitzeggen, een zichzelf uitdrukken (vgl. Heb 1,3). […] De al-macht waarmee de Vader zichzelf tot uitdrukking brengt, is evenmin gedwongen, maar tevens oorsprong van alle vrijheid, ook ditmaal niet in de zin van willekeur, maar van de liefde die zichzelf in een verheven zelfbeschikking overgeeft.”

Vanuit het perspectief van een mensenwereld die beheerst wordt door het verlangen naar macht in de zin van controle is deze kwetsbare, maar niettemin onafhankelijke liefde, dwaas. Paulus schrijft dan ook (1 Kor 1, 23): “Wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid.” Christenen geloven dat ook na de zoveelste “slag in het gezicht” de liefde van Christus de kracht vertoont om het slaan niet te imiteren en de genade van “de andere wang aan te bieden” (Lc 6, 29 – aldus is de liefde niet afhankelijk van wat haar is aangedaan en schept ze “ex nihilo” nieuwe mogelijkheden), “tot zeven maal zeventig maal” (Mt 18, 27; metafoor voor “oneindig veel”). Realistisch gesproken zijn relaties in onze nimmer volmaakte mensenwereld inderdaad alleen mogelijk als mensen zich er rekenschap van geven dat niemand perfect is, en dat er dus vele malen wederzijds vergiffenis geschonken moet worden… De dimensie van de vergeving schept de vrijheid waarin mensen tot zichzelf kunnen komen en verantwoordelijkheid kunnen opnemen voor hun fouten (natuurlijk, opnieuw, zonder dat daar evenwel garanties voor zijn). Mensen die zichzelf leren te beminnen, moeten zich niet langer angstvallig verbergen achter een narcistische zelfrechtvaardiging (de pervertering van de vergeving daarentegen houdt narcistische zelfconcepten in stand). De mens die zichzelf bemint is in staat om anderen niet langer te benaderen vanuit een behoefte aan erkenning, maar kan vanuit zijn overvloed – vanuit wat hij weg te schenken heeft – waarachtig anderen beminnen (die hij dan niet langer nodig heeft om eigen “leegtes” op te vullen). Christenen geloven dat de redding van de wereld ligt in de navolging van deze liefdesdynamiek die zich op een uitzonderlijke wijze geopenbaard heeft in het leven van Jezus van Nazaret – die precies hierom “Christus” wordt genoemd.

Een voorlopig laatste argument tegen het portret van Jezus als ultieme narcist is de vaststelling dat Jezus zelf niets heeft geschreven. Alles wat hem wordt toegeschreven of in de mond wordt gelegd komt grotendeels van anderen die willen verduidelijken hoe ze hem ervaren hebben – in dit opzicht “stoeft” hij niet op zichzelf. Het is overigens plausibel om aan te nemen dat Jezus zelf niets heeft geschreven: als de “secundaire” bronnen al met zoveel zorg zijn doorgegeven, zouden de dan zogezegd “primaire” bronnen van Jezus zelf zeker overleefd hebben (of er zou op zijn minst in de secundaire bronnen naar verwezen zijn).

3. DENKGELACHERIG ATHEÏSTISCH NARCISME

De volgehouden logica in de evangeliën en de verder ontwikkelde christelijke traditie, wijst in de richting van “Jezus als ultieme, soms pijnlijk consequente realist in een wereld van narcisten”. [Voor enkele gelijkaardige bedenkingen, in het Engels: klik hier]. Dat bepaalde mensen, ondanks alle rationele argumenten, blind blijven voor die logica, heeft niet te maken met een veronderstelde “vaagheid” van de christelijke bronnen, maar alweer met een koppig narcisme.

God works in mysterious waysFundamentalistische christenen, bijvoorbeeld, hangen nogal eens vast aan het geloof in een almachtige God in een eigenlijk niet-christelijke zin (vanuit al het voorgaande). De ervaring leert dat zij moeilijk afstappen van een godsbeeld dat incompatibel is met het godsbeeld dat kan afgeleid worden uit de Christusfiguur van de evangeliën. Als ultieme verdediging van kromme redeneringen trekken zij vaak de kaart van het adagium “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk”. Daarmee beëindigen ze iedere vorm van dialoog, discussie en kritische (zelf)reflectie. Maar ook sommige atheïsten houden liever vast aan hun ideeën over het christelijke verhaal (en theologie of zelfs godsdienst in het algemeen) dan dat ze die in vraag zouden stellen. Narcistische, intellectuele zelfgenoegzaamheid is niemand vreemd. Vooral niet als een eerder vijandige opvatting tegenover het christelijke verhaal identiteitsbepalend is. De commentaar van sommige atheïsten, wier blik veelal door negatieve emoties wordt bepaald, op heel het bovenstaande betoog is dan ook voorspelbaar: “Dit is een particuliere, misschien zelfs hoogst individuele interpretatie, en uiteindelijk is het allemaal relatief. Wat kunnen we uiteindelijk weten? Met ‘theologie’ kun je alle kanten op!” Alweer duikt het gemakzuchtige en laffe “argument” van “ondoorgrondelijke wegen” op. Tja, voor wie gelooft in rationele argumenten, ondersteund door wetenschappelijke inzichten (van literatuurwetenschap en geschiedenis tot antropologie) zal de ene interpretatie beter en plausibeler zijn dan de andere. Het is allemaal niet zo “ondoorgrondelijk” of “vaag” of “incoherent”.

Op de vragen “Welke beweringen doet het christelijke verhaal en wat is de essentie van het christelijke geloof?” bestaan wel degelijk antwoorden die, vanuit rationeel en wetenschappelijk verantwoord onderzoek, plausibeler zijn dan andere. Wat narcisten ook mogen beweren. Zowel gelovigen als ongelovigen kunnen een onderzoek instellen naar het antwoord op die vragen.

Wat het intellectuele narcisme van sommige atheïsten betreft, is een “debat” dat georganiseerd werd door Het Denkgelag een mooi voorbeeld. Op 17 oktober 2013 hielden Daniel Dennett, Lawrence Krauss en Massimo Pigliucci onder de modererende leiding van filosoof Maarten Boudry een panelgesprek over “de grenzen van de wetenschap”.

Dit theekransje van atheïsten oversteeg zelden het niveau van filosofische cafépraat, maar misschien was dat wel de bedoeling – om de drempel laag te houden. In ieder geval, je zou denken dat het “om te lachen” was als ze zichzelf niet zo ernstig namen. Genant was onder andere hoe bioloog en filosoof Massimo Pigliucci en filosoof Daniel Dennett aan fysicus Lawrence Krauss moesten uitleggen dat de criteria om te oordelen over het morele of immorele karakter van menselijke daden niet door de wetenschap kunnen bepaald worden. Eens die criteria bepaald zijn – eventueel door langdurig na te denken, dus door “rationaliteit” -, kan wetenschap natuurlijk informatie opleveren aangaande de vraag hoe die morele opvattingen het best in de praktijk worden omgezet. Als je bijvoorbeeld gelooft dat het morele gehalte van een daad bepaald wordt door het geluksniveau dat het oplevert, kun je wetenschappelijk kennis vergaren over de mate waarin een daad in “geluk” resulteert. Op voorwaarde natuurlijk dat je eerst gedefinieerd hebt wat “geluk” dan inhoudt. Wat alweer impliceert dat een filosofische, rationele discussie over “geluk” voorafgaat aan ieder mogelijk wetenschappelijk onderzoek. Het is bijzonder eigenaardig dat dergelijke basisinzichten in het lang en het breed (expliciet een twintigtal minuten) moeten uitgesmeerd worden op een avond die pretendeert een hoogmis voor de rationaliteit te zijn. De aanvankelijke “onenigheid” tussen Pigliucci en Krauss had dan ook geen enkele intellectuele spankracht. Ze was gewoon te wijten aan een gebrekkig inzicht bij Krauss. Pigliucci vat de les wijsbegeerte voor eerstejaarsstudenten uiteindelijk samen (tussen minuut 42:40 en 44:00 van het gesprek):

“Nobody in his right mind, no philosopher in his right mind, I think, is saying that empirical facts, or even some scientific facts – as should be clear by now, I take a more restrictive definition of science or concept of science than Lawrence does – but even if we want to talk about empirical facts, broadly speaking, nobody is denying […] that empirical facts are relevant to ethical decisions. That’s not the question. The question is […] that the empirical facts, most of the times, if not all the times, in ethical decision making, are going to underdetermine those decisions, those value judgements that we make. So the way I think of ethics is of essentially ‘applied rationality’. You start with certain general ideas. Are you adopting a utilitarian framework? Are you adopting a deontological framework, a virtue ethics framework or whatever it is? And then that essentially plays the equivalent role of, sort of, general axioms, if you will, in mathematics or general assumptions in logic. And from there you incorporate knowledge, empirical knowledge, about, among other things, what kind of beings humans are. Ethics, let’s not forget, is about human beings.”

Terecht wees Pigliucci er trouwens op dat Sam Harris in zijn boek The Moral Landscape eigenlijk een gelijkaardige denkfout maakt als Krauss. Harris zal wel veel verdiend hebben aan de verkoop van zijn boek, maar bij nader inzien is het intellectuele volksverlakkerij die weinig om het lijf heeft. Niet verwonderlijk dat Pigliucci er het volgende over zegt (48:22 – 48:44):

the moral landscape“Sam Harris, who you [Maarten Boudry] introduced as a philosopher, I would characterize mostly as a neuroscience based person. I think he would do it that way. When I read his book, ‘The Moral Landscape’ which promised a scientific way of handling ethical questions. I got through the entire book and I didn’t learn anything at all, zero, new about ethics, right?”

Daarnaast ergert Pigliucci zich, opnieuw reagerend op een aantal beweringen van Krauss, aan wetenschappers die generaliserende uitspraken doen over filosofie zonder eigenlijk enig idee te hebben waarover ze spreken (1:12:57 – 1:13:28):

“First of all, most philosophy of science is not at all about helping scientists answer questions. So it is no surprise that it doesn’t. So when people like your colleague Stephen Hawking – to name names – starts out a book and says that philosophy is dead because it hasn’t contributed anything to science, he literally does not know what he is talking about. That is not the point of philosophy of science, most of the time.”

Kortom, de onenigheid die soms dreigde te ontstaan tussen Pigliucci en Dennett aan de ene kant en Krauss aan de andere werd telkens opgelost door Krauss een aantal “bijlessen” te geven. Pigliucci was dan nog zo vriendelijk om dat vaak ietwat onrechtstreeks te doen, maar het is duidelijk dat zijn zojuist vermelde commentaar op Stephen Hawking een manier was om Krauss terecht te wijzen over zijn “red herring” (de herhaalde opmerking van Krauss dat (wetenschaps)filosofie geen bijdragen levert aan wetenschap is irrelevant omdat ze dat ook niet beoogt). Pigliucci besloot deze discussie met een analogie (1:13:59 – 1:14:12):

“So, yes, philosophy of science doesn’t contribute to science, just like science does not contribute to, you know, English literature. Or literary criticism, whatever you want to put it. But so what, no one is blaming the physicists for not coming up with something new about Jane Austen.”

Je zou verwachten dat Pigliucci dergelijke analogie consequent toepast als het gaat om de afbakening van verschillende onderzoeksvelden, maar toen het over theologie ging nam hij plotseling ook de weinig doordachte houding van Krauss aan. Boudry en Dennett sloten zich trouwens eensgezind bij hun gesprekspartners aan. Blijkbaar hadden de atheïsten een doodverklaarde “vijand” gevonden – de theologie – die hen verenigde (1:13:46 – 1:13:48):

Lawrence Krauss: “Well, theology, you could say is a dead field…”
Massimo Pigliucci: “Yes, you can say that. Right!”

Aan het begin van de avond bleek al dat de heren op dit vlak zeker van hun stuk waren:

20:11 – 20:21
Maarten Boudry: “Do you think that science, no matter how you define it, or maybe it depends, has disproven or refuted god’s existence?”

21:10 – 21:30
Lawrence Krauss: “What we can say, and what I think is really important, is that science is inconsistent with every religion in the world. That every organized religion based on scripture and doctrine is inconsistent with science. So they’re all garbage and nonsense. That you can say with definitive authority.”

21:50 – 22:42
Massimo Pigliucci: “I get nervous whenever I hear people talking about ‘the god hypothesis’. Because I think that’s conceding too much. Well, it seems to me, in order to talk about a hypothesis, you really have to have something fairly well articulated, coherent, that makes predictions that are actually falsifiable. All that sort of stuff. […] All these [god-] concepts are incoherent, badly put together, if put together at all. […] There is nothing to defeat there. It’s an incoherent, badly articulated concept.”

De hierboven uitgewerkte paragraaf over de al dan niet narcistische Jezusfiguur van het Nieuwe Testament is een eerste falsificatie van de beweringen van Krauss en Pigliucci. Georganiseerde religie, gebaseerd op zogenoemde openbaringsgeschriften en dogma’s, is niet per definitie inconsistent met wetenschap. Het nieuwtestamentishe godsbeeld is bovendien allesbehalve incoherent. Een korte samenvatting van de vorige paragraaf mag dit verduidelijken.

De mensen die ten grondslag liggen aan de tradities die uiteindelijk resulteren in de geschriften van het Nieuwe Testament geloven dat God zich op het niveau van de mensheid openbaart als een liefde die mensen in staat stelt om op een waarachtige wijze zichzelf en anderen te aanvaarden. Zulke, niet direct zichtbare liefde bevat het potentieel om mensen te bevrijden van een leven in functie van het verlangen naar erkenning of, anders gezegd, van een leven uit liefde voor een onwaarachtig imago dat waardering moet opleveren. De auteurs van het Nieuwe Testament definiëren op die manier wat “redding” (Engels: “salvation”) is: wie zich bemind weet, wordt meer en meer bevrijd van de neiging om zichzelf en anderen op te offeren aan “de afgodendienst van het sociale prestige”. Tegelijk geloven de nieuwtestamentische schrijvers dat de liefde die dergelijke offers weigert op een uitzonderlijke wijze belichaamd wordt in Jezus van Nazaret, die precies hierom “Christus” wordt genoemd en als dusdanig wordt geportretteerd ter navolging.

Via onder andere literatuurwetenschappelijk onderzoek kunnen de heren atheïsten voor zichzelf nagaan in welke mate deze karakterisering van de nieuwtestamentische beweringen de kern van het christelijke geloof bevat. Misschien moeten ze dat eens doen vooraleer ze zich overgeven aan de narcistische pretentie om gezaghebbende uitspraken te doen over “alle theologie”. Het blijft vreemd dat Pigliucci zich ergert aan een fout die sommige natuurwetenschappers soms maken met betrekking tot “filosofie”, terwijl hij zelf die fout maakt met betrekking tot “theologie”. Vandaag houdt theologie zich bezig met het interdisciplinair wetenschappelijk onderzoek naar het godsbeeld van een bepaalde religieuze traditie, en met de eventuele implicaties daarvan. Dit heeft overigens niets te maken met geloven of niet geloven in God. Om een analogie te gebruiken: je moet het uiteindelijk niet eens zijn met het mensbeeld van Shakespeare om een onderzoek in te stellen naar de mensvisie die in zijn werken tot uiting komt. Kortom, de vragen waarmee theologen zich bezighouden zijn van een fundamenteel andere aard dan de vragen waarmee natuurwetenschappers zich bezighouden, en er moeten op een fundamenteel niveau dus ook geen conflicten verwacht worden tussen beide onderzoeksvelden. In de woorden van Pigliucci’s eerder geciteerde analogie om het onderscheid tussen natuurwetenschap en filosofie in de verf te zetten: “No one is blaming the physicists for not coming up with something new about Jane Austen.”

Georges Lemaître and Albert EinsteinMisschien moeten Pigliucci en co maar een voorbeeld nemen aan Georges Lemaître, Belgisch katholiek priester en vermaard fysicus (onder andere grondlegger van de “Big Bang” hypothese). Lemaître maakt een duidelijk onderscheid tussen de vragen waarmee moderne natuurwetenschappers zich bezighouden en de vragen waarmee de auteurs van het Nieuwe Testament bezig zijn. Sterker nog, volgens Lemaître hebben natuurwetenschappelijke vraagstukken niets met theologie te maken, en vice versa. De gelovige natuurwetenschapper kan zijn geloof dan ook geen enkele rol laten spelen in het strikt natuurwetenschappelijke onderzoek. Enkele citaten van Lemaître uit een artikel (klik hier om het te lezen) van Joseph R. Laracy verduidelijken zijn positie aangaande de verhouding tussen de theologie en de moderne natuurwetenschap:

“Should a priest reject relativity because it contains no authoritative exposition on the doctrine of the Trinity? Once you realize that the Bible does not purport to be a textbook of science, the old controversy between religion and science vanishes . . . The doctrine of the Trinity is much more abstruse than anything in relativity or quantum mechanics; but, being necessary for salvation, the doctrine is stated in the Bible. If the theory of relativity had also been necessary for salvation, it would have been revealed to Saint Paul or to Moses . . . As a matter of fact neither Saint Paul nor Moses had the slightest idea of relativity.”

“The Christian researcher has to master and apply with sagacity the technique appropriate to his problem. His investigative means are the same as those of his non-believer colleague . . . In a sense, the researcher makes an abstraction of his faith in his researches. He does this not because his faith could involve him in difficulties, but because it has directly nothing in common with his scientific activity. After all, a Christian does not act differently from any non-believer as far as walking, or running, or swimming is concerned.”

The writers of the Bible were illuminated more or less — some more than others — on the question of salvation. On other questions they were as wise or ignorant as their generation. Hence it is utterly unimportant that errors in historic and scientific fact should be found in the Bible, especially if the errors related to events that were not directly observed by those who wrote about them . . . The idea that because they were right in their doctrine of immortality and salvation they must also be right on all other subjects, is simply the fallacy of people who have an incomplete understanding of why the Bible was given to us at all.”

De vraag naar wat “redding” of “heil” betekent in nieuwtestamentische zin is inderdaad anders dan bijvoorbeeld de vraag waarom en hoe objecten vallen. Zo eenvoudig kan een inzicht zijn om niet langer als een heroïsche maar narcistische Don Quichot “windmolens” te moeten bevechten. Maar een mens moet zich natuurlijk geen illusies maken: de Maarten Boudry’s van deze wereld gaan zelden of nooit de uitdaging aan om hun geloof aangaande de aard van theologie en religie op een wetenschappelijk verantwoorde manier in vraag te stellen. Maar misschien spreekt nu het narcisme van een theoloog 🙂 ?

atheists and fundamentalists

Nochtans draagt Boudry wetenschap hoog in het vaandel. Zijn vraag aan het publiek aan het begin van de avond luidde dan ook (16:58 – 17:30): “Do you think that science is the sole source of knowing?” Er waren veel mensen die bevestigend antwoordden op deze vraag. Dit impliceert dan dat je een persoon die je nog nooit ontmoet hebt beter kent dan een persoon die je iedere dag ziet als je maar accurate en gedetailleerde wetenschappelijke beschrijvingen hebt van de persoon die je nooit bent tegengekomen (en geen wetenschappelijke beschrijvingen van de persoon die je iedere dag ziet). Een beetje een vreemde vaststelling. Ergens zou je toch geneigd zijn om te denken dat je een persoon die zich iedere dag, oprecht en in vertrouwen, aan jou openbaart beter kent dan de wetenschappelijk beschreven persoon die je nooit hebt ontmoet… Of zou de “echte” en “volledige” identiteit van een persoon (zijn “ziel”, om met een oud woord te spreken) te herleiden zijn tot wat er wetenschappelijk kan over gezegd worden? Opnieuw een beetje vreemd dat je de persoonlijkheid van iemand zou “opsluiten” in wetenschappelijke analyses…

Ignatius of LoyolaWat er ook van zij, natuurlijk zijn Maarten Boudry, Massimo Pigliucci, Lawrence Krauss en Daniel Dennett niet louter narcisten. Het is niet omdat ze aangaande theologie weinig zelfkritische ideeën etaleren dat ze op hun eigen onderzoeksdomeinen geen uitstekend werk verrichten. Maar niets menselijks is de mens vreemd. Iedereen is bij tijd en wijle wel eens een narcist. Scholen kunnen een bijdrage leveren om mensen vrijer te maken van hun eigen narcistische impulsen door hen te oefenen in het onderscheiden van hun eigen motivaties: handelen mensen vanuit een narcistisch verlangen naar erkenning, of is de eventuele erkenning die mensen verwerven een gevolg van een liefde die ze ontwikkeld hebben voor mens, natuur en samenleving? In een vierde paragraaf wil ik deze oefening eens maken voor mijn directe werkomgeving, het Sint-Jozefscollege in Aalst – waar precies, als jezuïetenschool in de traditie van Ignatius van Loyola, de “onderscheiding van de geesten” centraal staat.

4. EEN SCHOOL IN NAVOLGING VAN CHRISTUS

De hoger uiteengezette principes van waaruit Jezus van Nazaret leeft, en die ten minste op een school die zich christelijk noemt navolging verdienen, maken concrete observaties en reflecties mogelijk. Ik wil voornamelijk enkele voorbeelden geven voor wat leerlingen, leerkrachten, directie en ouders betreft.

Ten eerste, in het licht van het Nieuwe Testament moet de mens niet leven in functie van regels, als zou het onderhouden van een maatschappelijk systeem en zijn regels een doel op zich zijn, maar regels moeten middelen zijn ten dienste van mens en samenleving. Als Jezus en zijn leerlingen commentaar krijgen op het feit dat ze strikt genomen, volgens de joodse wet, zaken doen die op de rustdag – de sabbat – verboden zijn, antwoordt Jezus dan ook (Mc 2, 27): “De sabbat is er voor de mens en niet de mens voor de sabbat.”

Jezus pleit voor een juiste verhouding tegenover regels, niet zozeer voor het afschaffen ervan – wat wij, als culturele erfgenamen van de evangeliën, “handelen naar de geest van de wet in plaats van naar de letter” zijn gaan noemen (Mt 5, 17): “Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om ze op te heffen, maar om ze te vervullen.” Jezus verkondigt het primaat van de naastenliefde (Mt 22, 37-40): “U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.” Dit houdt in dat bestaande wetten, structuren en rituelen afgetoetst worden aan de mate waarin ze al dan niet tegemoet komen aan het vermijden van slachtoffers en het in stand houden van een authentiek mensenleven.

SJC AalstHet Sint-Jozefscollege in Aalst is dan ook christelijk in de mate dat:

  • Leerlingen studeren om zichzelf te ontplooien en iets bij te leren, en niet studeren in functie van “goede punten op het rapport”. Rapporten zouden geen doelen mogen zijn maar wel middelen die informatie verschaffen over de mate waarin leerstof verwerkt is.
  • Leerlingen enigszins bevrijd worden van hun spontane of aangeleerde behoeftes om oog te krijgen voor zaken en mensen die ze “niet onmiddellijk nodig” hebben. Interesse en liefde ontwikkelen is een leerproces dat vaak enige inspanning vergt en nogal eens ingaat tegen “de eigen goesting”. In zekere zin zijn we allemaal als de drugsverslaafde die de werkelijkheid benadert vanuit “leegtes” die moeten bevredigd worden. Daardoor zijn we geneigd om ons te richten op wat we “nodig” hebben of “nuttig” achten. Maar de waarde van iets, en zeker van onze naaste, is niet te herleiden tot de mate waarin aan onze behoeftes tegemoet gekomen wordt. Onder andere in de verplichte sociale stage wordt aan leerlingen, inderdaad al eens “tegen hun goesting”, de kans geboden om een ruimere blik te ontwikkelen en vrij te worden voor werelden en mensen die ze niet of minder goed kennen. Of ze altijd het initiatief nemen om die kans te grijpen is natuurlijk een andere zaak. Niettemin, de vraag “Hoe kan dit mij van dienst zijn bij de verovering van mijn plaats in de wereld?” kan in zulke contexten evolueren naar de vraag “Hoe kan ik de wereld en mijn medemensen van dienst zijn?” De werkelijkheid die vanuit eigen leegtes benaderd werd, wordt dan een terrein waarin leerlingen beginnen te leven vanuit hun eigen “overvloed”, vanuit wat ze zelf, met de ontwikkeling van eigen talenten, “weg te schenken” hebben.
  • Leerlingen een ordelijk verloop van de lessen en een nette schoolomgeving in stand houden uit respect en liefde voor de andere “schoolbewoners” en niet louter angstvallig “om straffen te vermijden” of “om beloningen te ontvangen” (bijvoorbeeld de waardering van hun leerkrachten). Leerlingen worden alleszins uitgedaagd om zoveel mogelijk te groeien in naastenliefde, en deze liefde te verkiezen boven de angst om gestraft te worden of boven de liefde voor een profiel dat sociaal prestige moet opleveren – zie 1 Joh 4, 18: De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.

blame the student blame the teacherKortom, als leerlingen het verwerven van erkenning, rijkdom of een prestigieuze sociale status niet tot doel van hun leven maken, maar eventueel wel ervaren als gevolg van een fundamentele en dienstbare levenskeuze voor hun eigen, ontdekte talenten, dan is een christelijke school al een heel eind geslaagd in haar pedagogische project. Het is immers waar wat Jezus zegt (Mt 16, 25a-26a): “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt?” De leerling die koste wat het kost, vanuit een perfectionistische obsessie, wil voldoen aan een studie die eigenlijk niet voor hem is weggelegd – omdat hij daarmee de status en het “geluk” van mensen naar wie hij opkijkt denkt te bereiken –, kwijnt niet zelden weg onder faalangst. Of onder goedkope excuses om zichzelf maar het (narcistische, onrealistische) idee te geven “dat hij het eigenlijk wel kan”. Vaak wordt de schuld voor het eigen falen dan bij anderen (met name leerkrachten) gelegd. Ook ouders houden soms het onrealistische, narcistische zelfbeeld van hun kinderen in stand (voor meer: klik hier om fragmenten uit Hoe narcistisch bent u? te lezen, een artikel uit Knack).

Zeker ook op lange termijn is het psychisch en emotioneel schadelijk om in constante vervreemding van jezelf te leven. Wat rest is dan misschien de permanente roes van antidepressiva om maar niet ten volle met de realiteit van het eigen leven geconfronteerd te worden. Of de even waan-zinnige roes van een snobistisch narcisme dat “pronkt met bezit” om een inhoudelijk leeg en arm, gedesinteresseerd en “uitgeput” leven te compenseren.

Omgekeerd is het ook waar wat Jezus stelt (Mt 16, 25b): “Wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het redden.” Jezus neemt de positie in van de sociaal gemarginaliseerde medemens. Wie liefde ontwikkelt voor de naaste die op een of andere manier “uit de boot” valt en “scheef bekeken” wordt, verliest zich inderdaad minder aan de drang om te voldoen aan “sociaal prestige”, en kan gemakkelijker zichzelf ontdekken en “naar waarheid” leven. De mens die zichzelf beter kan inschatten, kan ook meer bereiken op een manier die duurzaam vreugde biedt, in trouw aan zichzelf. Bill Gates, bijvoorbeeld, werd misschien aanvankelijk door sommigen als een “weirdo” beschouwd, maar het gevolg van de trouw aan zijn roeping is welbekend. Een voetballer als Lionel Messi kan al enkele levens rentenieren, en toch stopt hij niet met voetballen – zijn faam en rijkdom zijn, wederom, maar een gevolg van de spelvreugde van waaruit hij bereid is om nog iedere dag hard te trainen. Of neem de Nobelprijswinnaars: ook voor hen is de sociale erkenning nooit datgene wat hen dreef (soms zelfs integendeel), maar is ze opnieuw een onbedoeld gevolg van een diepe trouw aan een levenslang ontwikkelde passie.

Beware of SnobberyEen school die, geïnspireerd door de zopas gegeven voorbeelden, leerlingen in staat wil stellen om zichzelf te ontdekken en te aanvaarden, zal soms het wensbeeld dat ouders van hun kinderen hebben moeten bijstellen. Niemand, zeker de leerling zelf niet, is er bij gebaat dat frustraties leerlingen ertoe aanzetten om zichzelf te troosten met “narcistische compensaties”. Dat kan alleen vermeden worden als ouders erop vertrouwen dat schoolse evaluaties en eventuele heroriënteringen gebeuren in het belang van hun kind. Het zou op een school niet mogen gaan om een strijd om “erdoor” te zijn – daar leer je immers niets mee. Wel om een project waarin een kind gaandeweg kan ontdekken waar het ten volle tot zijn recht komt – en dat is precies de weg naar waarachtig succes met een duurzame voldoening. Er zijn al genoeg snobistische sukkelaars – imitatoren van de echt grote geesten – in de wereld. Kortom, een school die christelijk wil zijn, zal moeten werken aan een sfeer van vertrouwen, waarin leerlingen, ouders en collega’s zich in kwetsbaarheid aan elkaar kunnen geven.

Het Sint-Jozefscollege in Aalst is verder dan ook christelijk in de mate dat:

  • Het leerlingvolgsysteem ingevuld wordt vanuit de bekommernis voor de leerling, en niet vanuit de angst voor mogelijke betwistingen bij deliberaties.
  • Buitenschoolse projecten en activiteiten ontwikkeld worden in functie van mens en samenleving, en niet omwille van prestige en reputatie.
  • Nieuwe collega’s niet gebukt moeten gaan onder het schrikbewind van oudere collega’s die beweren dat ze de beslissing van de directie over een eventuele aanwerving in positieve of negatieve zin kunnen beïnvloeden. Voor de dynamiek van zulke narcisten, die kicken op macht en aanzien, en die als (valse) messias kwetsbare medemensen “verlossen” van een zelf geïnstalleerde angst in ruil voor bepaalde “diensten”, zou er in een christelijk geïnspireerd opvoedingsproject geen plaats mogen zijn. Mentoren, directie en pedagogische begeleiders staan nieuwe onderwijskrachten dan ook bij om zich verder te bekwamen, niet om hen te bespioneren of zodanig te controleren dat ze van zenuwachtigheid “fouten” beginnen te maken.

test the spirits false prophets

Het schooltoneel op het SJC Aalst van 2014-2015 liet op een ironische manier zien wat de school absoluut niet beoogt. Het stuk, getiteld U weet er niets van!, werd, na een jaar van brainstormsessies met leerlingen, geschreven en geregisseerd door collega en classicus Tom Bruynooghe. Bij wijze van besluit contrasteer ik graag een fragment uit dit “geestige” en inspirerende stuk met enkele fragmenten uit het Nieuwe Testament.

U weet er niets van 2

Uit U weet er niets van! – een directrice die reclame maakt voor haar school:

“Het Sint-Fortunatuscollege is een nieuwe school met maar één doel: onze leerlingen klaarstomen voor een leven waarin winst centraal staat. Na een opleiding bij ons zijn zij in staat lucht te verkopen als ware het hun kostbaarste bezit, zijn zij in staat de grootste fraudeurs vrij te pleiten als waren het de heiligste maagden en bespelen zij de beurs met een zelfde gemak als waarmee een goochelaar een publiek van blinden bespeelt.

U weet er niets van 1Wij van het Sint-Fortunatuscollege houden van discipline en efficiëntie, want efficiëntie verkort de leertijd en tijd is geld. Door het afschaffen van pauzes en vakanties slagen leerlingen bij ons er reeds op vier jaar in zich volledig klaar te stomen voor de wereld van het geld.

Onze leerlingen worden op allerlei mogelijke manieren opgeleid om zich te integreren in de wereld van de elite. Tijdens onze jaarlijkse stage in Knokke – Le Zoute leren we hen om binnen de vijf minuten de exclusiefste boetiekjes te vinden, op onze excursie in de Champagnestreek leren we hen minachtend te spreken over schuimwijn en voor ons jaarlijks diner in de foyer van de opera zorgen we ervoor dat ze kunnen doen alsof ze ook over kunst en cultuur kunnen meepraten. Kortom, na een opleiding bij ons zijn ze klaar om Wall Street, de wetstraat en het golfterrein te veroveren.

Ook u kan snel rijk worden, dus aarzel niet en schrijf uw zoon of dochter snel in!”

Uit de eerste brief van Johannes (1 Joh 2, 15-17):

Verlies uw hart niet aan de wereld of aan de dingen in de wereld! Als iemand de wereld liefheeft, woont de liefde van de Vader niet in hem. Want al wat in de wereld is, de hebzucht, de afgunst en het pronken met bezit, dat alles komt niet van de Vader maar van de wereld. En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid.

Graag herhaal ik de uitleg hierbij uit een voorgaande paragraaf. Wie handelt vanuit het verlangen naar erkenning en zichzelf verliest, is eigenlijk “dood”. In termen van het Nieuwe Testament heeft zo iemand “het eeuwig leven niet blijvend in zich”. Hij moet zijn identiteit immers voortdurend aanpassen aan steeds wisselende en dus immer vergankelijke imago’s om sociaal te “scoren”. Wie het spel om sociaal succes wil winnen, zal ook moeilijk kunnen verkroppen dat iemand anders ook erkenning krijgt en jaloers worden. Als je de aanvankelijk bewonderde ander uiteindelijk alleen maar kan beschouwen als een hatelijke concurrent voor je eigen positie, zie je hem liever verdwijnen. In extremis ook letterlijk. Daarop wijst de bekende mythe uit Genesis over Kaïn en Abel. Beide broers geven een geschenk. Kaïn kan evenwel niet verdragen dat het geschenk van zijn jongere broer Abel meer geapprecieerd wordt. Daaruit blijkt dat Kaïn geen geschenk geeft uit liefde, om iemand gelukkig te maken – anders zou hij blij zijn dat de geadresseerde welbehagen schept in het geschenk van zijn broer -, maar wel vanuit zijn verlangen naar erkenning. Zoals reeds eerder vermeld, herneemt de eerste brief van Johannes (1 Joh 3, 11-15) dit oudtestamentische thema om een oproep te doen aan ieder van ons – stellen we daden uit liefde voor onszelf en anderen, of uit liefde voor het prestige dat we bevestigd willen zien (en waaraan we dan zowel onszelf als anderen opofferen)? In de woorden van de brief is de vraag of wij kunnen “overgaan van de dood (leven in functie van de liefde voor prestige) naar het leven (leven vanuit liefde voor onszelf en anderen)”, of wij kunnen “verrijzen”:

Dit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt: dat wij elkaar moeten liefhebben. Wij mogen niet zijn zoals Kaïn, die een kind van de boze was en zijn broer vermoordde. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer goed. Broeders en zusters, wees niet verwonderd als de wereld u haat. Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven; wij weten het, omdat wij onze broeders liefhebben. De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood. Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar, en u weet dat een moordenaar het eeuwig leven niet blijvend in zich heeft.