Wie ernaar zoekt, vindt op het wereldwijde web gemakkelijk vergelijkingen tussen Jezus van Nazareth en allerlei mythologische helden. Dat zulke vergelijkingen mogelijk zijn, is op zich niet vreemd. De auteurs van het Nieuwe Testament geloven immers dat Jezus van Nazareth ‘de Christus’ is, en om te verduidelijken wat dat betekent maken ze gebruik van alom gekende mythologische thema’s. Daarbij putten ze voornamelijk uit de Joodse traditie.

Dat soort observaties leidt regelmatig tot misvattingen. Er wordt wel eens geopperd dat mythologische verhalen en andere beeldende taal de historische werkelijkheid vooral geweld aandoen. Alsof schrijvers dergelijke taal alleen inzetten om met leugenachtige overdrijvingen hun publiek te betoveren. Het verhaal over een op het water lopende Jezus is in die optiek bijvoorbeeld een overdrijving van zijn uitmuntende schipperscapaciteiten. De aanhangers van de zogenaamde Jezusmythe gaan nog een stapje verder: uit de mythologische elementen van het Nieuwe Testament besluiten zij dat Jezus nooit heeft bestaan.

Beide ideeën zijn wetenschappelijk gezien onhoudbaar. Het eerste getuigt van onvoldoende inzicht in de doelstellingen van klassiek mythologische taal, het tweede van onvoldoende inzicht in het onderscheid tussen vorm en inhoud van een bewering. Als je bijvoorbeeld in een afscheidsrede voor de begrafenis van een vriend zegt dat jouw vriend soms een ‘echte teddybeer’ was, verwijst jouw uitspraak niet naar zijn eventueel dichtbehaarde lichaam. In plaats van een mogelijke realiteit (dichtbehaard lichaam) aan te grijpen om een fictie te lanceren (transformatie in een teddybeer), probeer je in beeldende taal uitdrukking te geven aan een diepmenselijke en tegelijk persoonlijke ervaring. Je geeft ook je visie weer op die ervaring. Natuurlijk doe je dat op een manier die voor mensen met een gelijkaardige culturele achtergrond verstaanbaar is, zonder bijkomende uitleg. Iedereen begrijpt onmiddellijk dat je de overledene als een gezellige en vriendelijke mens hebt meegemaakt. Wie wil peilen naar de waarheid van je bewering, moet niet vragen of de overledene soms werkelijk veranderde in een teddybeer. Hij moet vragen of je eerlijk verslag doet van je ervaring.

Hetzelfde geldt voor het verhaal over Jezus die op water loopt. De tijdgenoten van de evangelisten maken daarbij onmiddellijk associaties met onder andere het verhaal over Mozes die de Rode Zee splijt, en met de betekenissen van dat verhaal. In het licht daarvan is de vraag niet of Jezus werkelijk over water heeft gelopen, maar wel of mensen Jezus hebben ervaren als een ‘nieuwe Mozes’. En dat laatste betekent: als iemand die anderen vertrouwen en bevrijding tracht te bieden in stormachtige situaties.

Het is intussen wel al duidelijk in welke zin de aanhangers van de Jezusmythe de bal misslaan. Het is niet omdat je het verslag van de ervaringen met iemand op een mythologische manier vormgeeft dat de inhoud waarnaar je verwijst – namelijk die ervaringen en de persoon in kwestie – niet historisch zou zijn. Gemythologiseerde beweringen bestaan trouwens over veel historische figuren uit de oudheid. Ze zijn een geijkte manier om duidelijk te maken welke betekenis mensen als pakweg Alexander de Grote en keizer Augustus voor hun omgeving hebben. Op basis daarvan het historische karakter van die vorsten in twijfel trekken zou al te belachelijk zijn. Het is dan ook niet toevallig dat de hypothese van de Jezusmythe in de wereld van de historische kritiek geenszins ernstig wordt genomen (lees bijvoorbeeld: On Richard Carrier’s Doubts – pdf). In de wetenschappelijke wereld heeft de Jezusmythe hetzelfde statuut als het creationisme of de klimaatontkenning.

Uiteraard figureren in de meeste mythen louter fictieve personages. Maar zelfs dan geven die verhalen uitdrukking aan concrete ervaringen en bevatten ze een visie over hoe je ermee dient om te gaan. Het Bijbelverhaal over Adam en Eva of het daarop volgende over Kaïn en Abel gaan onder andere over jaloezie en waartoe die kan leiden. Tegelijk proberen ze daaromtrent goede raad te geven, wat in de volksmond ‘de moraal van het verhaal’ of ‘de levensles’ heet te zijn.

Wat betreft Jezus hebben de schrijvers van het Nieuwe Testament op velerlei wijze geprobeerd om de universele relevantie van de mens die ze als Christus beschouwen te verhelderen, en lang niet alleen door mythologische elementen te gebruiken. Eigenlijk behoren de nieuwtestamentische auteurs tot de grondleggers van een traditie die de ontmoeting met Jezus telkens weer mogelijk wil maken voor toekomstige generaties. Ondanks de vaak ontstellend lage wetenschappelijke kwaliteit van de vergelijkingen tussen evangelie en klassieke mythologie, kan dat soort onderneming wel degelijk licht werpen op wie Jezus is en wat hij ook nu voor mensen kan betekenen. Tenminste, als de vergelijking tussen de klassiek mythologische held en de figuur van Christus uit de evangeliën niet gedreven wordt door negatieve sentimenten aangaande de joods-christelijke traditie, noch door a priori apologetische bekommernissen.

Alleszins levert een grondige vergelijking tussen ‘mythe’ en ‘evangelie’ verrassende resultaten op. Er blijkt een radicaal verschil te bestaan tussen de klassiek mythologische held en de figuur van Christus uit de evangeliën. Onder andere de Frans-Amerikaanse denker René Girard (1923-2015) heeft daarop gewezen. In de wereld van de klassiek mythologische verteltrant zijn de verhalen over Christus de vreemde eend in de bijt. Die vreemdheid heeft overigens ook gevolgen voor wie niet vertrouwd is met het klassiek mythologische wereldbeeld. We blijven immers vaak leven vanuit dynamieken waarvoor de klassiek mythologische held een rolmodel vormt, terwijl de figuur van Christus als ‘alternatief rolmodel’ een fundamentele kritiek op die dynamieken levert.

Oedipus of Myth vs Jesus of Gospel

De mythologische held denkt dat hij alleen zichzelf en anderen kan redden als hij een ‘monsterlijke vijand’ weet uit te schakelen of zelfs te doden. Paradoxaal genoeg zal hij soms denken dat hij zichzelf moet uitschakelen. Dat is het geval wanneer hij zichzelf als het probleem ziet. Oedipus is daarvan een voorbeeld. Hij kan als een archetype gelden voor wie zichzelf niet goed genoeg vindt voor deze wereld. Ook vandaag de dag beschuldigen veel mensen zichzelf voor de afwijzing en haat die ze van anderen ondervinden, terwijl de rechtvaardigingen voor die afwijzing en haat eigenlijk ongegrond zijn. Niettemin geraken sommigen zodanig overtuigd van hun negatieve zelfbeeld dat de wereld beter af lijkt zonder hen. Zelfmoord is de meest extreme uiting van die dynamiek.

Andere mythologische helden denken een monsterlijke vijand buiten zichzelf te moeten uitschakelen om de wereld te redden. Theseus behoort tot die dichtbevolkte groep. Mythen met dat soort helden geven de overtuiging weer dat de vestiging van een harmonieuze wereld offers eist. Wat of wie als boosaardig wordt beschouwd, moet er dan aan geloven. Voor sommigen zijn dat vandaag de dag ‘de ongelovigen en hun decadente levenswijze’, voor anderen ‘de gelovigen en hun achterlijke overtuigingen’, voor nog anderen etnische minderheden of politieke tegenstanders, enzovoort.

Een derde soort mythologische helden is bereid om zichzelf op te offeren in de strijd tegen de zogenaamd monsterlijke vijand. Achilles bewandelt dat pad. Hij lijkt wel een blauwdruk van de hedendaagse zelfmoordterrorist, of van de soldaat die bereid is om voor zijn vaderland te sterven. Tragisch (en op een bijzonder pijnlijke manier ook komisch) is natuurlijk dat zij zichzelf vernietigen uit angst om vernietigd te worden. In de evangeliën geeft Jezus die dynamiek weer als hij zegt: “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.”

In tegenstelling tot de klassiek mythologische held in al zijn varianten, redt de figuur van Christus anderen omdat hij weigert te doden (of op een andere manier te ‘vernietigen’). In zijn dood weigert Christus zelfs niet alleen om anderen te vernietigen, maar weigert hij paradoxaal genoeg ook zichzelf te vernietigen: hij blijft de belichaming van de geweldloze, vergevende en leven gevende liefde die hij altijd is geweest. Omdat hij weigert geweld met geweld te beantwoorden, behoedt hij zowel (trouweloze) vrienden als haatdragende vijanden voor een burgeroorlog. Noch anderen, noch zichzelf doet hij geweld aan. Hij wordt gekruisigd.

Nogmaals, de dood heeft de liefdesdynamiek van waaruit Christus leeft niet kleingekregen. Integendeel, door te sterven heeft hij de dynamiek van geweldloze liefde volbracht. Als hij sterft aan het kruis kan hij niet meer bezwijken voor de verleiding om zelf geweld te gebruiken. Met zijn sterven sterft ook de macht van die verleiding. De logica van het offergeweld is alleen mogelijk indien het slachtoffer op een of andere manier kan voorgesteld worden als behorend tot het monsterachtige doembeeld van vernietigend geweld. Die voorstelling wordt onmogelijk in het geval van een weerloze, gekruisigde Christus. Aan het kruis openbaart Christus een liefde die zich onafhankelijk van de logica van machtsstrijd, offergeweld en de dood beweegt – en in die zin is ze ‘almachtig’.

Christus navolgen betekent zijn vergevingsgezinde terugtrekking uit de gewelddadige offerlogica navolgen, wat uiteindelijk zowel onze (al dan niet vijandige) naasten als onszelf redt. De manier waarop Nelson Mandela in 1990, bij zijn vrijlating na 27 jaar gevangenschap, de weg van de vergeving bewandelt in plaats van die van de wraak, is maar een van vele voorbeelden waaruit dat blijkt. Hemelvaartsdag (Ascensio Domini) symboliseert en viert het vertrouwen dat we als mensen in staat zijn om elkaars ‘verlosser’ te worden, ook zonder de onmiddellijke aanwezigheid van die Jezus waarin sommigen de Messias of Christus hebben herkend. Bevrijd van mythische illusies blijken mensen, zowel vroeger als nu, de werkelijkheid van de liefde waarnaar het Christusgebeuren verwijst vorm te kunnen geven. “De Geest waait waarheen Hij wil.” Ook dat behoort tot τὸ εὐαγγέλιον – het evangelie; vertaald: het ‘goede nieuws’.

Een oproep tot herbronning binnen de Rooms-Katholieke Kerk naar aanleiding van de recente stellingnamen van de Congregatie voor de Geloofsleer aangaande homoseksuele relaties.

Bezeten

In de evangeliën staat een eigenaardig verhaal over een bezeten man die zichzelf slaat met stenen (Marcus 5, 1-20). De manier waarop hij zichzelf behandelt, blijkt onder andere een imitatie te zijn van de manier waarop zijn stadsgenoten hem behandelen. Hij verblijft tussen de graven. Hij is duidelijk ‘dood’ voor zijn gemeenschap. Als je omgeving jou veroordeelt en waardeloos acht, vergroot de kans dat je jezelf ook niet langer respecteert.

De meerdere persoonlijkheden die de man in hun greep hebben, vormen de keerzijde van dat gebrek aan zelfliefde. Ze worden geboren uit een wanhopig streven naar waardering. Niets mag echter baten. Geen enkele identiteit lijkt bij anderen in de smaak te vallen. Het angstvallige verlangen naar sociale erkenning bereikt dus het tegenovergestelde van wat het beoogt: wie erdoor bevangen is, wint de wereld niet voor zich, maar geraakt juist meer en meer geïsoleerd (Marcus 8, 35-36).

Het evangelie verhaalt dat de bezeten man zich in die toestand van zelfverlies bevindt tot hij Jezus ontmoet. Jezus bevrijdt de man van een kuddementaliteit die bepaalt wat waarde heeft en wat niet. Hij biedt hem het vertrouwen om, in weerwil van die mentaliteit, zichzelf opnieuw te waarderen. De liefde die door Jezus wordt belichaamd, stelt de man in staat om zichzelf te beminnen.

Bevrijd

Jezus geeft ook de sleutel om die liefde in allerlei mogelijke situaties te ontketenen (Marcus 12, 30-31): “Bemin God en je naaste als jezelf.” Voor de Jood die Jezus is, houdt het eerste deel van dat dubbelgebod eigenlijk een radicaal verbod in. “God beminnen”, het eerste en belangrijkste van de tien geboden, betekent zoveel als “niets vergoddelijken” (Exodus 20, 4-5a)  of, in niet-religieuze taal: “niets verabsoluteren”.

De menselijke identiteit wordt op het eerste gezicht bepaald door een samenspel van biologische en culturele factoren, door nature en nurture. Jezus beweert echter dat we niet volledig afhangen van biologische impulsen en culturele normen. In zijn ogen zijn we ook “kind van God”. Daarmee bedoelt hij: kind van een liefde die niet gebonden is aan ‘natuurlijke’ of ‘culturele’ criteria.

Dat heeft waarlijk emancipatorische gevolgen. De bekende Nederlandse hersenonderzoeker Dick Swaab wijst bijvoorbeeld op een biologische aanleg voor pedofilie, maar dat betekent natuurlijk niet dat pedo-seksuele handelingen geoorloofd moeten zijn, zelfs niet als een of andere culturele context die toelaat. De ontmoeting met de ander is altijd ook een ontmoeting met een realiteit die anders is dan wat in het gezichtsveld van de eigen neiging of verbeelding verschijnt. In die zin roept de ander op tot een liefde die mensen bevrijdt van wat ze ‘moeten’ volgens lichamelijke impulsen en van wat ze ‘mogen’ volgens sociale normen.

De ander liefhebben is een werkelijkheid liefhebben die voorbij natuurlijke behoeftes, sociaal aangewakkerde verlangens of een cultureel gevormde verbeelding ligt. Paradoxaal genoeg brengt de overgave aan die liefde mensen tot zichzelf. Een pedofiele priester die ingaat tegen zijn neiging om kinderen seksueel te benaderen, is niet langer onderworpen aan een verwoestende affectieve dynamiek waarin hij ook zichzelf verliest. Hetzelfde geldt voor een alcoholverslaafde die zich uit liefde voor zijn naasten laat behandelen, ondanks bijvoorbeeld een gedoogcultuur aangaande alcoholgebruik in zijn werkomgeving. Overigens dient een samenleving de meest kwetsbaren tegen zichzelf te beschermen. Dat gaat van gedwongen opnames tot regelgeving in verband met seksualiteit. Immers, zelfs als een kind zogezegd instemt met seksuele handelingen door een volwassene, heeft die instemming meer dan waarschijnlijk te maken met manipulaties van de kant van de volwassene. In die lijn moet ook bijvoorbeeld regelgeving betreffende euthanasie bij minderjarigen van grote omzichtigheid getuigen.

Kortom, de liefde voor de ander als ander ondergraaft de verabsolutering van om het even welke lichamelijke neiging of cultureel en historisch bepaalde norm. Daardoor ontdekt ook degene die liefheeft zichzelf als toch nog “anders dan de optelsom van genetisch materiaal en opvoeding”. Wat de mens ten diepste bezielt, overstijgt dan ook wat zichtbaar en meetbaar is. De joods-christelijke traditie noemt die transcendentie “God”.

Realiteitsbesef

In de evangeliën schept Jezus voortdurend ruimte voor die bevrijdende transcendentie en het daarmee gepaard gaande grotere realiteitsbesef. Dat blijkt onder andere uit het welbekende verhaal over zijn ontmoeting met een overspelige vrouw (Johannes 8, 1-11). Op de vraag van een woedende menigte of die vrouw, naar aloude wetsgetrouwe gewoonte, moet gestenigd worden, antwoordt Jezus: “Wie zonder zonde is, mag de eerste steen werpen.” Dat is een geniaal antwoord. Jezus offert de bestaande orde immers niet zomaar op om, zoals veel machtswellustelingen voor en na hem, zijn eigen wetten te stellen. Integendeel, hij heroriënteert de bestaande regels naar een liefdesdynamiek die in plaats van slachtoffers ‘authentiek leven’ wil.

Wie na die woorden van Jezus nog een steen werpt, zou impliciet van zichzelf beweren perfect te zijn. Die persoon zou dus zichzelf vergoddelijken, en dat is een overtreding van het belangrijkste gebod in de joodse traditie. Jezus brengt de omstanders ertoe om “God te beminnen”, en dat wil zeggen dat ze zichzelf en hun culturele identiteit niet langer vergoddelijken.  Uiteindelijk is er niemand van de omstanders die de vrouw nog veroordeelt. Een realistischer kijk op eigen zwakheden en tekortkomingen, en de ermee gepaard gaande grotere zelfliefde, leidt blijkbaar tot het geven van ‘ademruimte’ aan anderen. Als je jezelf niet vergoddelijkt, kan je wel degelijk “je naaste beminnen als jezelf”.

Op het einde zegt Jezus tegen de vrouw: “Ik veroordeel u ook niet. Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer.” De vraag is wat Jezus in deze context precies bedoelt met ‘zondigen’. In het verhaal over de bezeten man die zichzelf stenigt is dat overduidelijk. Omdat die man de negatieve blik van zijn omgeving op hem overneemt, is hij niet in staat om van zichzelf te houden. Daardoor kan hij ook voor anderen geen zegen zijn. De ‘zonde’ is in dit geval dus de verabsolutering van sociale normen en het gebrek aan zelfliefde en liefde voor anderen die er het gevolg van zijn. Jezus bevrijdt de man van dat kwaad en schenkt hem het vertrouwen om opnieuw van zichzelf te houden.

In het geval van de overspelige vrouw bevrijdt Jezus in de eerste plaats de omstanders van hun ‘zonde’, zijnde een verabsolutering van hun patriarchale culturele normen. Daardoor krijgt een vrouw die ooit is uitgehuwelijkt meer ruimte. Het is niet denkbeeldig dat haar eigen echtgenoot haar slecht behandelt en dat ze bij een geliefde voor wie ze wel zelf kiest respect vindt. ‘Leven in zonde’ zou dan betekenen: jezelf opnieuw onderwerpen aan de culturele normen die je echtgenoot gebruikt om macht over jou uit te oefenen. ‘Niet meer zondigen’ is dan: kiezen voor de geliefde van wie je respect krijgt, en vanuit dat herwonnen zelfrespect ‘vruchtbaar’ zijn voor anderen. De overspelige vrouw hoeft zichzelf niet langer te veroordelen, temeer daar Jezus ook haar omgeving heeft bekeerd tot de liefde die haar niet veroordeelt. Kortom, “ga nu maar, en zondig voortaan niet meer” betekent in dat opzicht: “Ga maar ten volle voor de situatie waarin je jezelf kan respecteren.”

Dood

In navolging van het optreden van die Jezus uit de evangeliën moet de Rooms-Katholieke Kerk erover waken om zichzelf niet te vergoddelijken. Zij mag haar eigen leer niet verabsoluteren. De Kerk en haar historisch gegroeide wetten zijn zelf niet God. Ook de Bijbel is zelf niet God. Kerk en Bijbel zijn op hun best wegen naar de bevrijdende liefde die zich in Jezus belichaamt. Vanwege die belichaming wordt hij ‘Christus’ genoemd en spreken zijn volgelingen over zichzelf als ‘christenen’ (en bijvoorbeeld niet als ‘bijbelsen’).

De recente verklaringen van de katholieke Congregatie voor de Geloofsleer aangaande homoseksuele relaties doen in het licht van Jezus’ optreden de vraag rijzen waar de ‘zonde’ zich precies situeert. “God liefhebben” doe je volgens het dubbelgebod ook “met heel je verstand”. Als de Congregatie zich beroept op de Bijbel, moet ze dat dus ook op een contextuele (historisch-kritische) manier doen. Die contextualisering behoort trouwens tot de traditie van de Kerk zelf. Als de Bijbel al homoseksuele relaties veroordeelt, dan is dat om dezelfde reden als waarom ze heteroseksuele relaties veroordeelt: het gaat om seksuele belevingen die de menselijke integriteit zouden aantasten. Verkrachtingen binnen (gearrangeerde) huwelijken zijn daarvan een voorbeeld. In dat geval zijn echtscheidingen aangewezen.

Een cultureel bepaalde morele opvatting die homoseksuele relaties veroordeelt als zondig (zoals recentelijk die van de Congregatie voor de Geloofsleer), is eveneens een broedplaats van discriminatie en geweld – ook van sommige mensen naar zichzelf toe. De ‘zonde’ situeert zich dus op het niveau van de opvatting die homoseksuele relaties veroordeelt. Die opvatting druist in tegen een liefdesdynamiek die mensen ten volle wil doen leven. Ze voeren naar ‘de dood’ (zie 1 Johannes 3, 14): “De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood” – zoals de man die zichzelf stenigt (zie hoger) “tussen de graven” verblijft. Kortom, in het licht van het evangelie is het een ‘zonde’ om homoseksuele relaties ‘zondig’ te noemen.

Leven

Een ethiek die mensen ertoe aanzet om zichzelf te ‘stenigen’ en hen verhindert om zichzelf te respecteren, moet te allen tijde onder kritiek geplaatst kunnen worden. Zeker als een gemeenschap trouw wil blijven aan haar roeping om de liefde van Christus gestalte te geven. In de Bijbel wordt niets God genoemd behalve die liefde (1 Johannes 4, 8). En die is zo radicaal dat ze de maatstaf vormt voor elke cultureel en historisch bepaalde norm om menselijke relaties vorm te geven. Ze zegt dat “regels er zijn voor de mens en niet omgekeerd” (Marcus 2, 27). Hoewel de liefde zich dus moet concretiseren via regels en normen, is ze zelf niet aan die regels gebonden. In die zin relativeert ze elke vergankelijke culturele ordening.

Vandaar dat, volgens Jezus, in de onvergankelijke leven-gevende dimensie van de liefde “mensen niet trouwen en ook niet worden uitgehuwelijkt” (Marcus 12, 25). In dezelfde lijn wijst Paulus op de betrekkelijkheid van de gebruiken waarmee de ene gemeenschap zich van een andere afgrenst. De liefde, belichaamd in Christus, maakt alle mensen tot één volk en doorbreekt culturele grenzen (Galaten 5, 6): “Want in Christus Jezus is niet de besnijdenis of de onbesnedenheid van belang, maar het geloof dat werkzaam is door de liefde.” Paulus ziet in Christus een liefde werkzaam die de hele schepping herijkt en die alle sociale begrenzingen, voortkomende uit aloude machtsspelletjes zowel binnen als tussen gemeenschappen, op losse schroeven zet (Kolossenzen 3, 10-11): “Bekleed u met de nieuwe mens, die wordt vernieuwd tot het ware inzicht, naar het beeld van zijn schepper. Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar, Skyth, slaaf, vrije mens. Maar alles in allen is Christus.”

Augustinus van Hippo (354-430), een van de belangrijkste kerkvaders, vat de kern van de houding waartoe de mens in navolging van Christus is geroepen. De mens die leeft vanuit Christus’ bevrijdende liefde heeft geen wetten nodig om te weten wat hij in de immer wisselende omstandigheden van een historisch gesitueerd bestaan moet doen of (niet) mag doen. Die ‘waarachtig levende’ mens geeft de juiste plaats aan ‘de wetten’. Hij interpreteert ze niet naar ‘de letter’ maar naar ‘de geest’ (2 Korintiërs 3, 5-6; Romeinen 2, 29), waarbij de liefde primeert en richting geeft. Augustinus schrijft dus allesbehalve toevallig (Ep.Io.tr. 7, 8): “Bemin en doe dan wat je wilt.” Als christenen dienen we ons telkens weer te laven aan die bron van liefde. Ja, dat geldt ook voor de katholieke Congregatie voor de Geloofsleer.

WHY WE HATEIn de loop der jaren heb ik heel wat materiaal verzameld waarnaar expliciet in de documentaire-reeks Why We Hate wordt verwezen. Ik deel het relevante materiaal graag per aflevering, telkens ook met aanduiding van enkele kerngedachten. Wie interesse heeft in de psychosociale dynamieken die het menszijn beheersen, krijgt op die manier misschien aanzetten tot verdere reflectie.

WHY WE HATE – AFLEVERING 1: OORSPRONG

Kerngedachte 1: de bron van een bepaald soort liefde is dezelfde als die van haat

De eerste aflevering van Why We Hate laat zien hoe het vermogen dat ons in staat stelt om lief te hebben ook de bron kan zijn van haatdragend en gewelddadig gedrag. Empathie (het vermogen om je in te leven in de situatie van iemand anders) leidt niet automatisch tot liefde. Hoe meer we ons bijvoorbeeld verbonden voelen met de mensen van een eigen groep of kliek, hoe haatdragender we soms zijn tegenover mensen die we percipiëren als “vijanden” van onze bondgenoten.

De wereld van apen en mensapen houdt ons een spiegel voor aangaande de bokkesprongen van de empathie. In deze aflevering verwijst evolutionair antropoloog Brian Hare onder andere naar het onderzoek van zijn mentor, primatoloog Frans de Waal, in verband met vergelijkingsgedrag bij kapucijnaapjes. Op het moment dat één van twee zulke aapjes druiven krijgt in plaats van komkommer, wordt het aapje dat komkommer blijft krijgen gaandeweg kwaad. Het is niet de ongelijkheid op zich die voor die kwaadheid zorgt, maar wel het vermogen van het ene aapje om zich in te leven in het andere aapje. Door dat inlevingsvermogen kan het zijn eigen situatie vergelijken met de situatie van het andere aapje.

LINK: FAIRNESS STUDY (FRANS DE WAAL)

Ons menselijk rechtvaardigheidsgevoel, dat natuurlijk te maken heeft met dergelijk vergelijkingsvermogen, kan dus ook kwaadheid, haat en zelfs gewelddadige reacties veroorzaken. De paradox is dat een ervaring van verbondenheid (jezelf kunnen inleven in de situatie van een ander) in sommige omstandigheden leidt tot rivaliteit. Niet het verschil op zich veroorzaakt vaak problemen, wel de mate waarin mensen zich met elkaar identificeren. In dat identificatieproces verdwijnt juist het verschil – althans “theoretisch”. Als we iets verlangen of ambiëren omdat we ons vereenzelvigen met een bewonderde ander, dan zal die ander onze gehate rivaal worden op het moment dat we het wederzijds verlangde object niet kunnen of willen delen.

Kortom, net omdat we ons in de positie van iemand anders kunnen verplaatsen, omdat we kunnen doen alsof we iemand anders zijn, of nog anders geformuleerd, omdat we het vermogen hebben om anderen te imiteren, kunnen anderen ook onze rivaal en onze vijand worden. Het mimetisch (= imitatief) vermogen dat de basis vormt voor ons empathisch vermogen, kan resulteren in vormen van verbondenheid en liefde, maar ook in vormen van vijandschap en haat (voor meer, lees: The Two Sides of Mimesis: Girard’s Mimetic Theory, Embodied Simulation and Social Identification van Vittorio Gallese). René Girard heeft het verlangen op basis van een imitatief identificatieproces, dat soms leidt tot rivaliteit en geweld, de mimetische begeerte genoemd.

LINK: HET GEWELD ZIT DIEP IN ONS (DIRK DRAULANS)

Kerngedachte 2: de liefde voor een sociale status leidt tot zelfhaat en haat tegenover anderen

Cicela Hernandez vertelt in de eerste aflevering van Why We Hate hoe ze van “gepeste” zelf “pester” werd. Ook uit haar verhaal blijkt dat identificatieprocessen aan de basis liggen van haar haatdragend gedrag. Het slachtoffer dat ze het hardst had aangepakt, was een meisje waarin ze zichzelf herkende. Eigenlijk had Cicela naar zichzelf leren kijken door de ogen van wie haar vroeger pestte. Ze begon zichzelf in zekere zin te haten, waardoor ze ook anderen haatte in wie ze zichzelf weerspiegeld zag. Gedurende een vrij lange periode in haar middelbare schoolloopbaan imiteerde ze letterlijk het gewelddadige gedrag van de boosdoeners in haar leven. En waarschijnlijk zouden sommige van haar slachtoffers later op hun beurt pesters worden. Aldus houdt de vernietigende dynamiek van het geweld zichzelf in stand.

Het verhaal van Cicela maakt duidelijk dat het verlangen naar macht en status alweer berust op imitatieve processen. Cicela had geleerd om zich te spiegelen aan degenen die haar pestten, en op basis daarvan was ze beginnen te verlangen naar hun status en machtspositie. Tegelijk vergrootte dat de haat tegenover bepaalde aspecten van haar eigen persoonlijkheid. Kortom, de (mimetisch aangestuurde) liefde voor een sociale status binnen een “eigen” groep impliceert altijd een vorm van zelfhaat.

Anderzijds toont het verhaal van Megan Phelps-Roper in deze aflevering dat de liefde voor een groepsafhankelijk zelfbeeld niet alleen gepaard gaat met zelfhaat, maar ook met haat tegenover anderen. Megan is een voormalig lid van de Westboro Baptist Church, een fundamentalistische groep christenen die het vooral niet begrepen heeft op katholieke christenen, Joden en de LGBTQ-gemeenschap. Binnen de Westboro Baptist Church is er een grote samenhorigheid, geborgenheid, harmonie en vrede. Die vrede is echter gebaseerd op het uitsluiten en demoniseren van zogenaamde “vijanden”. Juist zoals sommige kliekjes in om het even welke context “vrede” creëren door anderen te onderdrukken of simpelweg af te wijzen.

Dat sociale afwijzing een vorm van geweld is met gelijkaardige effecten in de hersenen als fysiek geweld, komt ook aan bod in deze aflevering. School shootings zijn te begrijpen als wraakacties. De jonge daders imiteren het sociale geweld dat hun is aangedaan. Dat hun slachtoffers vaak niets met dat geweld te maken hebben, deert hen niet. In hun kwaadheid op de wereld beseffen ze zelfs niet dat ze eigenlijk zondebokken laten boeten. Bovendien leidt de grote media-aandacht soms tot copycat gedrag. Andere gefrustreerde jongeren die zich sociaal niet aanvaard voelen, zien in het gewelddadige gedrag van school shooters een manier om toch een vorm van sociale erkenning en aandacht op te eisen – zij het negatieve.

LINK: WOMEN AND THE SPIRITUAL CLASH WITH TERROR

Als lid van de Westboro Baptist Church werd Megan Phelps-Roper natuurlijk ook door een groot deel van de samenleving scheef bekeken en afgewezen. Alleen voelde zij niet de noodzaak om die ervaring van afwijzing te compenseren door een of ander fysiek haatmisdrijf. Ze ervoer immers waardering van haar familie.

Kerngedachte 3: kritiek van zelfbeelden is noodzakelijk voor waarachtige liefde en vrede

De getuigenis van Megan Phelps-Roper laat de gevaren zien van elke sociale constructie. Op het moment dat je denkt “verlicht” of “zuiver” te zijn omdat je niet behoort tot een bepaalde groep (in haar geval katholieken, Joden en de LGBTQ-gemeenschap), verblijf je eigenlijk in de duisternis die de menselijke soort al heel haar geschiedenis achtervolgt. De atheïst die zich heeft afgekeerd van bepaalde religieuze waanvoorstellingen en religie als bron van alle kwaad beschouwt, is in hetzelfde bedje ziek als de gelovige fundamentalist die vanuit eenzelfde superioriteitsgevoel het zogenaamd “kwaadaardige” atheïsme veracht.

Zolang het kwaad “buiten” de eigen groep en het eigen hart wordt geplaatst, kan het kwaad juist voortwoekeren. Je hebt dan immers een rechtvaardiging om groepen zogenaamde “boosdoeners”, “onverlichte barbaren” of “perverselingen” af te wijzen, te discrimineren of zelfs te elimineren. De geschiedenis bevat keer op keer de ironie dat het grootste geweld onder zowel religieuze als seculiere regimes wordt gedaan vanuit de overtuiging dat daarmee “een vreedzame wereld” wordt nagestreefd. Om dat soort psychisch, sociaal en/of fysiek geweld te vermijden is kritiek op die overtuiging binnen de eigen groep dus noodzakelijk.

Toevallig kwam Megan Phelps-Roper online in contact met de Jood David Abitbol en zijn blog, Jewlicious. In plaats van haar onmiddellijk te “klasseren”, ging hij met haar het inhoudelijke gesprek aan, meer specifiek het inhoudelijk theologische gesprek. Op die manier kon ze uiteindelijk breken met bepaalde ideeën uit haar groep en kon ze ook kritiek geven op het onrealistische beeld dat ze van zichzelf had gehad. Ze ontdekte dat de “buitenwereld” helemaal niet zo demonisch was als ze gewoon was te denken. Tegelijk ontdekte ze bij zichzelf dat ze helemaal niet zo “moreel superieur” was.

Megan had zich heel haar leven verbonden gevoeld met een groep die hartstochtelijk werd gehaat. In een poging om hun “vijanden” te overtroeven en zich op die manier van hen te onderscheiden, beantwoordde de groep die haat met haatberichten, wat de vicieuze cirkel van de intolerantie uiteindelijk in stand hield. De tragische paradox is dat de poging om de gelijkenissen met anderen te ontkennen ertoe leidt dat mensen juist steeds minder van elkaar verschillen en op elkaar beginnen te gelijken. Hoe meer haat met haat wordt beantwoord, hoe meer de hatende partijen elkaars dubbelgangers worden.

Daarentegen is het erkennen van een gedeelde menselijkheid de mogelijkheidsvoorwaarde om elkaars verschillen werkelijk te leren respecteren. Megans erkenning dat anderen in de eerste plaats “mens” waren zoals zij, maakte de liefde en het respect voor anderen mogelijk, alsook voor zichzelf, niettegenstaande ze werd uitgesloten door haar familie. Alleszins blijkt uit haar situatie dat intolerantie in de eerste plaats ligt bij mensen die anderen uitsluiten en de dialoog weigeren, en niet bij wie uitgesloten wordt.

Kerngedachte 4: geweldloos conflict in plaats van gewelddadige vrede is mogelijk

black-lives-matter-fontElke emancipatorische beweging moet zich afvragen in welke mate ze werkelijk emancipatorisch is. Wil de Black Lives Matter (BLM) beweging bijvoorbeeld geen factor zijn die de polarisatie in de samenleving aanwakkert, dan zal ze mogelijke kritiek niet automatisch mogen zien als een aanval op de beweging zelf. Als ze geen kritiek kan verdragen, dan kunnen vijanden van de beweging immers gemakkelijk zeggen: “Zie je wel, die beweging is niet eerlijk; ze wil bepaalde feiten niet onder ogen zien!” In dat geval speelt de beweging in de kaart van het racisme.

Als de beweging daarentegen werkelijk het racisme wil aanpakken (en dus eigenlijk zichzelf op termijn overbodig wil maken), dan zal ze mogelijke tegenstanders moeten ontwapenen door zich de reflex van een gezonde zelfkritiek eigen te maken. Want je wil niet vervallen in het mechanisme van een gesloten gemeenschap als de Westboro Baptist Church, waarbij een lid dat kritiek geeft op de eigen organisatie onmiddellijk als een “verrader” wordt verbannen. Zoiets houdt op termijn alleen maar een gewelddadige vrede in stand – een vrede die gebaseerd is op het geweld van uitsluiten, discrimineren, haten en elimineren.

Peace I leave with youHet is dus goed dat een beweging als Black Lives Matter ook zogenaamd “dissidente stemmen” uit de eigen, zwarte gemeenschap beluistert. Op die manier wordt ze niet de zoveelste beweging in de geschiedenis van de mensheid die eigenlijk het kwaad in stand houdt dat ze dacht te bestrijden omdat ze haar eigen (fysiek en ander) geweld beschouwt als “goed en gerechtvaardigd”. Het boek Virtuous Violence, dat in de eerste aflevering van Why We Hate te zien is op de tafel van Brian Hare, beschrijft dat proces (zie slides). De mogelijkheid van debat in eigen rangen kan exemplarisch zijn voor het streven naar een samenleving waarin de vrede van geweldloos conflict (respectvolle discussies) het uiteindelijk haalt van de opeenvolgende gewelddadige vredes “van deze wereld”.

LINK: DE NARCIST

LINK: GEEN VREDE, MAAR EEN ZWAARD

LINK: MIMETIC THEORY (RENÉ GIRARD) – VIDEO SERIES

Zie vooral, voor wat de laatste link betreft, het beeldmateriaal van chimpansees dat ook aan bod komt in de eerste aflevering van Why We Hate. Scroll naar PART IV – THE ORIGIN AND EVOLUTION OF CULTURAL FACTS EXPLAINED (2 VIDEOS).

P.S. Een reflectie ter illustratie van inzichten uit de eerste aflevering

Atheïsme brengt niets slechts voort. Je kan niets verkeerd doen in de naam van “er is geen god”.

Atheïsme brengt evenwel ook niets goeds voort. Je kan niets goed doen in de naam van “er is geen god”.

Atheïsme is niet immoreel. Het is ook niet moreel. Atheïsme heeft simpelweg geen onmiddellijke morele implicaties. Het is amoreel.

Vandaar dat seculiere regimes hemels kunnen zijn, maar ook de hel op aarde, wat doorheen de geschiedenis al is gebleken.

Wie denkt dat “de bron van het kwaad” ergens concreet te situeren is volledig “buiten” zichzelf – bijvoorbeeld in “godsdiensten” -, en wie denkt dat de eliminatie van die zogenaamde bron op termijn zorgt voor vrede, stapt eigenlijk mee in een proces dat juist het kwaad veroorzaakt.

Om dat proces te vermijden moet elke emancipatorische beweging – zowel van godsdienstige als van niet-godsdienstige aard – bereid zijn tot zelfkritiek. Doet ze dat niet, dan blijft ze blind voor haar eigen vooroordelen en speelt ze in de kaart van tegenstanders die haar die vooroordelen kunnen aanwrijven. In dat geval groeit de maatschappelijke polarisatie.

Een beweging die geen zelfkritiek toelaat en dissidente stemmen onmiddellijk als “verraders” verbant, wordt zelf de belichaming van een intolerantie die ze dacht te bestrijden. Ze wordt een sektarische, gesloten gemeenschap die zich opsluit in een echokamer.

De geschiedenis bewijst echter dat mensen ook de respectvolle discussies van het democratische “geweldloze conflict” aankunnen, waardoor de uitsluitingsmechanismen van totalitaire “gewelddadige vredes” worden vermeden.

 

WHY WE HATE OUT OF HATE INTO HOPE

GOEDE VRIJDAG

Bedrog?

Het verhaal over Jezus van Nazareth die sterft aan het kruis, lijkt het verhaal van een mislukking. Het verhaal over zijn verrijzenis, enkele dagen later, beschouwen sommigen dan ook als een frauduleuze opsmuk van zijn teleurgestelde leerlingen. In dat geval hebben de leerlingen van Jezus overigens niet alleen zichzelf bedrogen. Hun zogenaamd “goede nieuws” over Jezus’ opstanding benevelt, in de optiek van de complotdenkers, al tweeduizend jaar lang ook een groot deel van de wereldbevolking.

Naast het verhaal van Jezus’ bondgenoten, krijgen we echter ook het verhaal van zijn tegenstanders. Misschien vinden we daarin wél aanwijzingen voor de ware toedracht van de gebeurtenissen omtrent die zwerver uit Nazareth. In de gekruisigde Jezus zien zijn vijanden alvast het beste bewijs dat hij een bedrieger is. Hun argumentatie oogt onweerlegbaar: als Jezus werkelijk in het bezit was geweest van goddelijke macht, dan was hij ontsnapt aan zijn lijdensweg.

Machtswellust?

Halfdood aan het kruis krijgt Jezus het nogmaals hard te verduren. Omstanders van divers pluimage vuren het ene na het andere spotsalvo op hem af: “Als je werkelijk de goddelijke Messias bent, red dan jezelf!” Maar Jezus ontsnapt niet aan het lijden, en hij sterft een vernederende en gruwelijke folterdood. Zijn tegenstanders schijnen dus gelijk te krijgen over zijn zogenaamd bedrieglijk karakter.

Crowning of Thorns Caravaggio

De eis om de terechtstelling van Jezus had bovendien enigszins nobel geklonken. Zijn tegenstanders hadden namelijk beweerd een oorlog met veel slachtoffers te willen voorkomen. Hun redenering was de volgende. Vanwege zijn populariteit bij het Joodse volk, hadden de Romeinse bezetters Jezus wel eens kunnen beschouwen als de leider van een nakende opstand. Om te vermijden dat de Romeinen vervolgens een groot deel van de Joodse gemeenschap een kopje kleiner zouden maken, had de Joodse hogepriester Kajafas het offer van Jezus voorgesteld. “Het is beter dat één mens sterft en niet onze hele natie ten onder gaat”, had hij geconcludeerd.

Buitenspel

Er is echter een stuitend gebrek aan bewijzen voor de redenering die Kajafas en de zijnen maken. Dat blijkt onder andere uit een dilemma dat ze Jezus voorschotelen in de periode voorafgaand aan zijn arrestatie. Als ze Jezus vragen of de Joden belasting mogen betalen aan de Romeinse keizer, blijkt uit de repliek van Jezus dat hij niet deelneemt aan de wedijver tussen machthebbers en zij die de macht willen overnemen. Hij vereenzelvigt zich hoegenaamd niet met gewelddadige Joodse revolutionairen, noch met wreedaardige Romeinen die het Joodse volk onderdrukken. “Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is”, antwoordt hij. In de beleving van Jezus heeft de dynamiek van een God die liefde is niets te maken met een dwangmatig verlangen naar gewelddadige almacht over de wereld.

Een sociale orde die een concurrerend spiegelbeeld is van de Pax Romana, is niet de vrede waarnaar Jezus streeft. Hij bepleit de mogelijkheid van geweldloos conflict (respectvol en vruchtbaar debat in ieders belang) tegen de gewelddadige vrede van totalitaire regimes. Zijn vrede manifesteert zich anders dan de manier waarop de vrede van deze wereld vaak vorm krijgt. Een leven vanuit waarachtige liefde offert bestaande sociale en culturele structuren niet op om zijn eigen wetten te stellen. In het licht van de liefde die Jezus bezielt, en waarin christenen God zijn gaan herkennen, is de vraag dan ook niet of je voor of tegen belastingen van het actuele regime bent. Die liefde vraagt wel om een relativering en eventuele hervorming van bestaande regels. Komen belastingen ook ten goede aan de zwaksten in de samenleving, of dienen ze juist machthebbers en hun opvolgers? Ook de rustdag van de Joden – de sabbat – beschouwt Jezus bijvoorbeeld niet als een doel op zich, maar heroriënteert hij ten dienste van elke mens en de hele samenleving. “De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat”, verduidelijkt hij, wanneer zijn handelingen eigenlijk indruisen tegen de letter van de sabbatswetten. Regels en gebruiken die resulteren in een verstikking van menselijk leven – zowel van het eigen leven als dat van medemensen –, behoeven verandering volgens Jezus.

Op geen enkel moment laat Jezus zich verleiden tot het gebruik van geweld om macht te verwerven. De logica van de liefde waaraan hij zich overgeeft, weigert offers. Ze zet het spel om de macht buitenspel. Ze schenkt leven, ook aan vijanden. Als ze hem komen arresteren, slaat Jezus niet terug. Hij verbiedt zijn volgelingen om naar hun zwaarden te grijpen.

“Ik acht hem volstrekt onschuldig,” luidt het verdict van de Romeinse prefect Pilatus enkele uren later. Pilatus heeft Jezus verhoord. Het is hem duidelijk geworden dat Jezus zijn volgelingen niet oproept tot een gewapende strijd. Jezus beoogt naar eigen zeggen een ander soort leiderschap dan een heerschappij die is gebaseerd op het elimineren van vijanden of zogeheten bedreigingen. De beschuldiging dat Jezus de leider van een gewelddadige opstand dreigt te zijn, is dus vals. Niettemin blijft een hele menigte zijn kruisiging eisen, op aansturen van enkele manipulerende leiders. Om de lieve vrede te bewaren, geeft Pilatus het schreeuwende volk waar het om vraagt.

Volbracht

Tot het einde blijven omstanders Jezus provoceren. Aan het kruis is hij degene over wie wordt geoordeeld en over wie schande wordt gesproken. Tot het einde kiest Jezus echter het pad van de vergeving en geeft hij niet toe aan de verleiding om geweld met geweld te beantwoorden.

Vlak voor hij aan het kruis de geest geeft, zegt Jezus niet toevallig: “Het is volbracht.” Op het moment dat zijn stervensproces is voltooid, volbrengt Jezus inderdaad de liefde die radicaal weigert om geweld met geweld te beantwoorden. Elke poging om hem te verleiden tot de wereld van het geweld wordt dan onmogelijk. De logica van het geweld kan zichzelf echter alleen rechtvaardigen als haar slachtoffers medeplichtig zijn aan het geweld. Wat sterft met Jezus aan het kruis is, met andere woorden, het fundament van het geweld zelf. Ook dat stervensproces is volbracht. Het geweld tegen Jezus en de eis om zijn offer blijken zonder grond.

Jezus heeft expliciet geweigerd om een machtsstrijd te ontketenen waarin zowel vrienden als vijanden het leven zouden laten. De dynamiek van de genadige, geweldloze liefde die leven geeft, zowel aan vrienden als aan vijanden of trouweloze vrienden, is dus niet volbracht in de zin van vernietigd. Ze is juist tot voltooiing gebracht en is bijzonder tastbaar in het (samen)leven van mensen – Romeinen en Joden, soldaten en burgers, vrienden en vijanden – die anders misschien oorlogsslachtoffers waren geworden. De gekruisigde Jezus is, met andere woorden, de paradoxale, levende aanwezigheid van de liefde die leven geeft doordat ze zich onttrekt aan iedere machtsstrijd.

Het verhaal over Jezus die sterft aan het kruis is bijgevolg niet het verhaal van een mislukking. Niet de logica van het geweld triomfeert aan het kruis, wel de paradoxale logica van een barmhartigheid die geen offers wil… en die juist daarom zichzelf geeft tot op het kruis. Jezus’ lijden en zijn “offer tegen het offer” zijn niet het gevolg van een heroïsche machtsstrijd waarin (zelf)offers worden gerechtvaardigd. Ze zijn, integendeel, het gevolg van de weigering van die strijd.

De liefde die zichzelf tot het uiterste geeft in de kruisdood van Jezus vormt een blijvende aanklacht tegen alle rechtvaardigingen voor offers in het spel van de niets of niemand ontziende drang naar eer, genot, macht en bezit. Die liefde – kenbaar in het leven van Jezus, maar ook in tal van andere gedaanten – roept ons telkens weer op tot bekering. Ze roept ons op om een leven waarin eer, genot, macht en bezit verstikkende doelen zijn, meer en meer te keren naar een leven waarin eer, genot, macht en bezit louter gevolgen of middelen zijn van de liefde voor onszelf, voor medemensen, en voor de planeet in haar geheel.

De verrijzenis van Jezus, “op de derde dag”, is niets anders dan de openbaring en beginnende bewustwording van wat zich tijdens de kruisiging heeft afgespeeld: het gekruisigde, vergevende slachtoffer is de concrete belichaming van de levende en leven schenkende liefde. Door, met en in Jezus krijgen we misschien wel de meest expliciete uitnodiging om deelachtig te worden aan de dynamiek van die onverwoestbare – en daarom waarachtig “goddelijke” – liefde. Ze wil ons voorbij onze angsten brengen, en biedt ademruimte aan ons eigen leven en dat van anderen.

Dali Crucifixion II Corpus Hypercubus (1954)

Corona

Het verhaal over de kruisdood van Jezus ontmaskert de excuses voor ons eigen geweld. De rechtvaardigingen voor de offers die we keer op keer eisen om onze wereld te structureren, moeten eraan geloven in Jezus’ stervensuur op Goede Vrijdag. In die zin is Jezus “het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt.”

Er zijn gelovigen van uiteenlopende gezindten, onder wie soms ook christenen, die in het coronavirus de uitwerking van een transcendente, onontkoombare logica zien. Zij claimen dat God sommige medemensen laat sterven vanwege onze zondigheid. Zij achten die offers noodzakelijk om ons tot inkeer te brengen en de wereld te redden van de totale ondergang. Een seculier equivalent van die logica is bijvoorbeeld een redenering waarbij darwinistische principes worden verabsoluteerd. Een verwijzing naar die principes moet in dat geval de dood van “zwakkeren” rechtvaardigen om zogenaamd “sterkeren” te laten overleven en de wereld, alweer, te behoeden voor de totale ondergang.

Kortom, zowel vanuit gelovige als vanuit ongelovige hoek worden offers soms gerechtvaardigd door te verwijzen naar “krachten waarvan de mens nu eenmaal de willoze speelbal is”. Zulke rechtvaardigingen reproduceren redeneringen zoals die van Kajafas aangaande Jezus’ terechtstelling: “Het is beter dat een offer wordt gebracht en niet onze hele wereld ten onder gaat.”

De liefde die zich belichaamt in Jezus tekent echter verzet aan tegen dat soort ideeën – ook van sommige christenen –, en ontmaskert ze als propagandistische sprookjes. De liefde die geen offers wil, gelooft in de relatieve vrijheid en zelfbeschikking van de mens. Ze gelooft in de menselijke creativiteit. Ze gelooft dat we ons uit dilemma’s kunnen wroeten waarin mensenlevens tegen elkaar worden afgewogen. Weliswaar gaat die onderneming vaak gepaard met mislukkingen en staan we soms wel voor die dilemma’s. Zulke ervaringen nopen alvast tot bescheidenheid over onze mogelijkheden in dit universum. Niettemin kent onze soort successen, ook op medisch vlak. Er zijn wel degelijk ziektes die honderd jaar geleden nog een doodsvonnis waren, maar nu worden overwonnen.

We leggen ons dus niet zomaar neer bij wat de natuur op een bepaald moment beslist. We doen dat tijdens de crisis, veroorzaakt door de corona-pandemie, ook niet. We verzetten ons soms met de moed der wanhoop. Tegelijk merken we hoe de verbondenheid met de zwaksten in onze samenleving ons vaak nieuwe energie geeft. We verdragen vanuit die verbondenheid elk ons eigen lijden, niet omdat we masochistisch van het lijden zelf houden, maar omdat de liefde waaraan we ons overgeven geen offers wil. Dat veroorzaakt af en toe nieuw lijden en verdriet, als we ondanks alle inspanningen toch afscheid moeten nemen van dierbaren. Maar ook dan geven we de liefde niet gemakkelijk op. Die liefde gaat verder, met vallen en opstaan, tegen alle wanhoop en cynisme in, doorheen keiharde realiteit, met vallen… en opstaan.

Ghent Altarpiece Mystic Lamb

STILLE ZATERDAG: EEN PERSOONLIJKE MEDITATIE

Op Stille Zaterdag sta ik stil bij de uitwassen van ons neoliberale model en de slachtoffers die het eist – medemensen, mededieren, medenatuur –, en besef ik meer dan ooit dat ik zelf dat systeem mede in stand houd. Ik kan die manier van leven niet met de vinger wijzen als ik niet tegelijk mezelf met de vinger wijs.

Op Stille Zaterdag sta ik stil bij onderdrukte en gediscrimineerde mensen, bij mensen over wie schande wordt gesproken en die ten prooi vallen aan gemakkelijke oordelen, bij mensen die gemeden worden als de pest en bij mensen die worden gepest.

En ik besef meer dan ooit dat ik zelf niet altijd zo inclusief ben – had ik een vriendschapsverzoek op Facebook niet eens geweigerd omdat de persoon in kwestie een slechte reputatie had of omdat die er afwijkende politieke en levensbeschouwelijke ideeën op nahield?

Op Stille Zaterdag sta ik stil bij narcisten als Donald Trump die zich beter schijnen te wanen dan anderen, en besef ik meer dan ooit dat ik soms heimelijk bij mezelf denk: “Zo verdorven als die man ben ik toch niet.” Ben ik dan niet ziek in hetzelfde bedje als Trump? Iemand als Trump kunnen overladen met alle zonden van de wereld lucht misschien wel eens op, maar het leidt af van het daadwerkelijk aanpakken van de gebreken die ik zelf heb.

Op Stille Zaterdag sta ik stil bij de onverschilligheid van wie niet door het virus wordt geaffecteerd. Wie gezond is, kan gemakkelijk theorieën verkondigen als “groepsimmuniteit kweken door het virus meer zijn gang te laten gaan”… tot die persoon zelf ziek wordt, natuurlijk (of dierbaren van die persoon). Dan smelt de onverschilligheid tegenover mogelijke slachtoffers als sneeuw voor de zon.

Maar nog meer sta ik stil bij mijn eigen onverschilligheid. Het is gemakkelijk om de kansen te zien van deze coronacrisis – tijd om uitgebreider te koken, tijd om te besteden aan werk dat is blijven liggen, tijd om oude vrienden te contacteren – als je zelf niet ziek bent of als je zelf niet dag in dag uit, met alle risico’s van dien, moet zwoegen in ziekenhuizen.

Op Stille Zaterdag sta ik stil bij het gemak waarmee ik onderdeel word van “verontwaardigde” groepen. Ik betoog mij kapot, in opiniestukken of op plaatsen met een massa gelijkgezinden, en steeds enigszins comfortabel en veilig. Tot zover gaat dan mijn heldhaftigheid en openheid. In de lafhartige echokamer van de sociale media laat ik andere stemmen misschien niet eens toe.

Op Stille Zaterdag sta ik stil bij Petrus. Die liet zijn beste vriend Jezus vallen toen een verontwaardigde menigte schande sprak over de gearresteerde Jezus, en toen Jezus het daadwerkelijke slachtoffer werd van het spel van de machtigen.

Op Stille Zaterdag besef ik meer dan ooit dat ik ben zoals die Petrus, en dat ik er af en toe best ootmoedig het zwijgen toe doe.

Guercino_-_St_Peter_Weeping_before_the_Virgin

 

“Sterk als de dood is de liefde.”

Het zijn woorden uit het Hooglied (8, 6), één van de kleinste boeken uit de Hebreeuwse Bijbel. Het is bovendien het enige boek waarin God niet expliciet wordt vermeld.

Als een bundel van rijk geschakeerde, erotische liefdespoëzie, waarin een jonge vrouw het voortouw neemt, kent het Hooglied een navenant rijk geschakeerde interpretatiegeschiedenis. De joodse filosoof Franz Rosenzweig (1886-1929) noemt het boek “Kernbuch der Offenbarung” – het boek dat de essentie van de Bijbelse Godsopenbaring bevat. In ieder geval vertegenwoordigt het Hooglied diepmenselijke ervaringen die van alle tijden zijn. The Beatles schreven ooit “Money can’t buy me love…” Eeuwen geleden zong het Hooglied (8, 7): “Al bood iemand alles wat hij bezit voor de liefde, men zou hem met verachting afwijzen.”

Jaren geleden werd het vers “Sterk als de dood is de liefde” de titel van mijn masterthesis. Een jaar na de voltooiing daarvan, op 30 april 2002, werd een concert opgenomen van de Schola Cantorum Cantate Domino in de Leuvense Abdijkerk Keizersberg. Het betrof een uitvoering van het Requiem van W.A. Mozart (1756-1791). Wijlen E.H. Michaël Ghijs vroeg mij toen om een meditatie te schrijven voor het cd-boekje. Ik was duidelijk nog in de ban van het Hooglied en dat intrigerende vers, want ik schreef onder andere:

“De onverbiddelijke dood maakt geen onderscheid. Geen mens is tegen zijn vernietigende kracht opgewassen. […] Zoals de dood maakt ook de liefde – in de Bijbel gaandeweg erkend als God – geen onderscheid. Maar de uitkomst en toekomst van de liefde zijn anders dan die van de dood. Terwijl de dood alles en allen in dezelfde duisternis en afgrond stort, is de liefde krachtig als een zorgzaam licht dat – paradoxaal genoeg – onderscheid wil maken en zegt: ‘Je mag bestaan en geheeld worden als man, als vrouw, als arme, weduwe en wees…'”

Ik heb die bezinning bij het Hooglied en bij de requiem-tekst herlezen naar aanleiding van Palmzondag en in het licht van de coronapandemie. Het Hooglied spreekt opnieuw, op een nieuwe wijze.

Christ Entry into Jerusalem_Hippolyte_Flandrin_1842

Onze wereld hecht doorgaans veel belang aan sociale status, politieke macht en invloed, rijkdom en meedogenloze sterkte. Het coronavirus niet. Zijn dodelijke angel treft CEO’s met een overvolle agenda even onverwacht als spelende kinderen, werkende mensen zowel als gepensioneerden. Het coronavirus woekert “zonder aanzien des persoons” en hecht geen belang aan wat wij doorgaans zo belangrijk vinden.

Tegelijk kunnen wij ons als mensen inschrijven in een andere dynamiek, die eveneens “zonder aanzien des persoons” waait. De liefde die in het Nieuwe Testament God wordt genoemd, houdt ook geen rekening met status, rijkdom en macht, maar hecht – niet berekenend – gelijkelijk waarde aan eenieder. Ze creëert hoop tegen alle wanhoop in, licht tegen alle duisternis, en ze maakt ons ontvankelijk voor wie wij ten diepste zijn als mensen. De liefde maakt ons ontvankelijk voor onszelf en voor elkaar – voorbij preoccupaties met status, macht, genot en rijkdom. “Wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitgekozen (1 Kor 1, 28a),” schrijft Paulus.

De liefde maakt vaak moeilijke (niet direct populaire) keuzes. Ze is ook bereid om zich over te geven aan een vermoeiende, allesbehalve automatisch aangename verantwoordelijkheidszin. En ze redt daarmee levens.

Vandaag verwelkomen wij, misschien bewuster dan andere dagen, het licht van die nederige liefde. In het bijzonder doen we dat voor onze kwetsbare en gekwetste medemensen. Et lux perpetua luceat eis – Dat het ondoofbare licht hen moge verlichten.

Het onderstaande luisterfragment – het Introitus uit Mozarts Requiem – is afkomstig van de eerder genoemde live-opname van knapen- en mannenkoor Schola Cantorum Cantate Domino uit Aalst, onder leiding van wijlen E.H. Michaël Ghijs. De solo jongenssopraan is Colin De Pelsmaker:

Misschien is het volgende goed nieuws voor de tegenstanders van het godsdienstonderwijs op katholieke scholen en van alles wat naar godsdienst ruikt:

(1) Wij, godsdienstleerkrachten, geloven niet automatisch in God.
(2) Ja, wij godsdienstleerkrachten geven grif toe dat we de jeugd trachten te “corrumperen” met “vreemde” ideeën.
(3) Ja, de christelijke traditie is – zoals andere grote levensbeschouwelijke tradities – ook zeer interessant voor andersgelovigen en niet-gelovigen.

Daaraan wil ik nog een persoonlijke noot toevoegen: ja, ik ben SJC Aalst“gebrainwasht” na jaren werken op het Sint-Jozefscollege, door de jezuïeten en de spiritualiteit van hun stichter, Ignatius van Loyola (1491-1556).

(1)

Pierre Abélard - Quote on DoubtIk twijfel vrij geregeld aan mijn geloof in God. Net zoals atheïsten die filosofisch zijn aangelegd ook wel eens aan hun ongeloof zullen twijfelen. (Niet) geloven is immers iets anders dan weten.

Intussen weet ik echter wel dat de grote spirituele tradities intrinsiek zinvol zijn.

(2)

Van de jezuïeten heb ik bijvoorbeeld geleerd dat vrij zijn niet hetzelfde is als “je zin doen”. Vrij zijn is “jezelf kunnen ontplooien”.

Een alcoholverslaafde die zijn zin doet, blijft verslaafd. Als je kinderen alleen laat eten waarin ze spontaan zin hebben, eten ze misschien teveel snoep, en onvoldoende groenten en fruit. Dat is niet bevorderlijk voor de fysieke en mentale ontwikkeling van kinderen. Door kinderen hun zin te laten doen, ontneem je hen paradoxaal genoeg dus de vrijheid om de best mogelijke versie van zichzelf te worden. Dat soort verwennerij wordt door psychiaters als Dirk De Wachter en Peter Adriaenssens terecht gekarakteriseerd als “pedagogische kindermishandeling”.

Ideaal is natuurlijk dat we vooral “zin” zouden hebben om “onszelf te ontplooien”.

Spijtig genoeg zijn we vaak overgeleverd aan impulsen waarvoor we niet zelf hebben gekozen, en beslissen die impulsen in onze plaats over ons leven. De kunst is om ons op de juiste manier tot die impulsen te verhouden, niet om ze te vernietigen.

Die impulsen kunnen van een eerder natuurlijke aard zijn – zoals in het geval van een ongecontroleerde lichamelijke drang naar snoep of alcohol. Ze kunnen ook van een eerder culturele aard zijn. We vragen ons soms te veel af wat betekenisvol is volgens de normen van het maatschappelijk systeem waarin we ons bevinden.

Wetten zijn goed als ze de voorwaarden scheppen waarin onze zelfontwikkeling kan plaatsvinden. Ze worden op een verkeerde manier benaderd als ze in onze plaats bepalen wie we zogezegd zijn. In termen van de Jezusfiguur uit de evangeliën klinkt dat als: “De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.” Een leerling die op een frauduleuze manier honderd procent haalt bijvoorbeeld, heeft het evaluatiesysteem tot doel gemaakt. Hij heeft het niet gebruikt als een middel dat hem helpt om zichzelf te ontwikkelen.

Teach us to Give and not to Count the Cost St IgnatiusHet voordeel van een beroepsopleiding is alvast dat leerlingen zichzelf en de wereld uiteindelijk moeilijk iets kunnen voorliegen: een gemetste muur is recht en blijft overeind, of ze is slecht gemetst. Leerlingen in het algemeen secundair onderwijs kunnen zichzelf langer op het verkeerde been zetten. Ze kunnen wiskundige bewijzen “van buiten” leren zonder die te begrijpen bijvoorbeeld, of vertalingen van Latijn en formules van fysica. De Einsteins van deze wereld studeren echter niet om de punten of het geld. Ze ontplooien een gepassioneerde liefde voor de werkelijkheid die ze willen leren kennen.

De ene honderd procent is dan ook de andere niet. “Plus (Latijn: magis) est en vous,” zeggen de jezuïeten. Daarmee dagen ze je uit om gebruik te maken van de ruimte om jezelf te ontwikkelen. Dat betekent niet: jezelf “verbeteren”. Dat betekent wel: jezelf “aanvaarden” met alle mogelijke begrenzingen die daarbij horen, en van daaruit “de best mogelijke versie van jezelf worden”. Als dat op een bepaald moment betekent dat je volgens de normen van een evaluatiesysteem zestig procent behaalt voor fysica, dan is dat maar zo. Die zestig procent is oneindig veel meer waard dan een frauduleus behaalde honderd procent.

De paradox, alweer, is dat jezuïeten vooral de leerling willen uitdagen die op een onwaarachtige manier “goede” punten behaalt. Aan leerlingen die hun zelfwaarde laten afhangen van hun “score” binnen een bepaald maatschappelijk systeem, zeggen zij: “Plus est en vous; wees niet tevreden met wat voldoende of excellent is voor het systeem, maar wees tevreden met wat voldoende of excellent is voor jezelf (en de rest komt dan wel).”

St Irenaeus The Glory of God is a Human Being Fully AliveDe reden waarom een katholieke spiritualiteit in navolging van Christus hamert op een realistische zelfaanvaarding, zelfliefde, zelfontplooiing en ja, een altijd zéér betrekkelijke “zelfbeschikking”, is eenvoudig: ze is de basisvoorwaarde om “God” (zijnde liefde) toe te laten in je leven. Zelfrespect leidt tot respect voor anderen. De alcoholverslaafde die zichzelf niet langer kan respecteren, kan op den duur ook geen verantwoordelijkheid meer opnemen voor anderen. De bouwkundige ingenieur die op een frauduleuze manier zijn diploma behaalt, zal misschien bruggen bouwen die in elkaar storten en slachtoffers veroorzaken.

Alle voorgaande overwegingen zijn extreem godsdienstig. Ze komen uit het hart van de christelijke traditie. Ze zijn ook heel logisch en worden bevestigd door wetenschappelijk onderzoek (zie De Wachter en Adriaenssens). De fabel dat godsdienstige tradities “irrationeel”, “anti-wetenschappelijk” of “immoreel” zouden zijn en dat ze alleen via “cherry picking” zin bevatten, geloof ik dan ook allang niet meer. Ook labels als “conservatief” of “niet meer van deze tijd” zijn niet van toepassing. Die labels getuigen van een stuitend gebrek aan realiteitszin aangaande de hierboven beschreven christelijke theologie en antropologie.

(3)

Alleszins inspireert elke parabel van de Jezusfiguur uit de evangeliën oneindig veel meer dan een gepolariseerd debat over de vraag of God bestaat. Dat weet ik wel zeker.

Zulk debat mondt immers vaak uit in kinderachtig narcistische wedstrijdjes over wie en wat het schadelijkst is voor de wereld: gelovigen en hun godsdienst of ongelovigen en hun seculiere levensbeschouwingen?

“In het dorp waar ik woon weet iedereen dat die imam kinderen misbruikt, en niemand doet er iets aan…” Dat vertelde een atheïst uit Suriname mij ooit. Hij verwees daarnaar om aan te tonen hoe verderfelijk godsdienstige organisaties wel waren. Tegelijk was hij er trots op dat hij niet tot die – in zijn ogen – “achterlijke” islamitische gemeenschap behoorde. Toen ik hem vroeg of hij al iets aan het misbruik van die kinderen had gedaan, bleef hij mij het antwoord schuldig.

Was die man echt bekommerd om het lot van die kinderen? Of was hij voornamelijk bezig met zijn zelfbeeld en wees hij op het misbruik om zich als de “moreel superieure” te profileren? Jezus’ gelijkenis over een farizeeër en een tollenaar (Lucas 18, 9-14) stelt precies die vraag. Als mens zijn we allen onderhevig aan gelijkaardige dynamieken. Precies daarnaar peilt Jezus, en dat is voor iedereen dus zinvol.

Jezus stelt trouwens nooit de vraag naar het bestaan van God. Wat hij wel doet, is mensen via onder andere verhalen een spiegel voorhouden. Hij vraagt ons naar onze diepste drijfveren. Zo ontmaskert hij vaak niet erkende jaloezie en ressentiment, of de eerzucht die zich soms verschuilt achter morele verontwaardiging. Tegelijk daagt hij ons daarbij uit om op een andere manier in het leven te staan – minder angstvallig en met meer vertrouwen. Of je die evident transcendente liefdesdynamiek ook goddelijk noemt, is een andere kwestie.I show you doubt to prove that faith exists Robert Browning

Een levensbeschouwelijk gesprek tussen atheïsten en gelovigen op basis van bijvoorbeeld een concrete parabel lijkt mij dan ook veel zinvoller dan een “wollig” dovemansgesprek over het al dan niet absurde karakter van geloven in God. In plaats van bevestiging te zoeken voor een narcistisch superioriteitsgevoel zouden we ons beter bezighouden met de altijd genuanceerde realiteit. Of is dat een vergissing?

Ignatius of Loyola

Naar aanleiding van de discussie over de organisatie en de inhoud van het levensbeschouwelijk onderwijs in Vlaanderen schreef ik een opiniestuk voor de website Thomas (over godsdienstonderwijs, KU Leuven). Het stuk kreeg als titel Twee uur levensbeschouwelijke grammatica en woordenschat zijn geen luxe, en werd opgenomen in een online dossier gericht aan de regeringspartijen.

Hierna volgen nog enkele bijkomende bedenkingen.

Korte kroniek van een symbooldossier: politieke spelletjes vs de strijd om een EERLIJK DEBAT

Op de website van Doorbraak (https://doorbraak.be/) verschijnt op 3 september 2019 een artikel van de hand van Pieter Bauwens met als titel Halveren N-VA en OpenVLD aantal uren godsdienst in secundair onderwijs?

Daaruit blijkt dat beide politieke partijen een beknotting van het vak godsdienst beogen, zij het om enigszins verschillende redenen. Dat bemoeilijkt alvast ook op dat vlak een duurzaam pact tussen N-VA en OpenVLD.

Volgens prominente stemmen binnen de N-VA zet het jonge concept van de “katholieke dialoogschool” de deur wagenwijd open voor een sluimerende islamisering van de Vlaamse cultuur. Die kritiek gaat eigenlijk uit van een verkeerde voorstelling van zaken. Niettemin is ze voldoende om een bepaald soort perceptie van het katholiek onderwijs te creëren die kwaad bloed zet bij de bredere achterban van de N-VA. Op de koop toe vervangt de katholieke onderwijskoepel ook nog eens één uur Nederlands in de eerste graad door een nieuw vak Mens & Samenleving – in voege vanaf september 2019. Ook dat is niet naar de zin van veel N-VA’ers. Het vak Nederlands is te belangrijk voor hen om aan de uren ervan te tornen.

Katholieke Dialoogschool.jpg

Zoals N-VA en de andere Vlaamse partijen pleit ook OpenVLD voor een grondig onderwijs van de Nederlandse taal. Wellicht is dat voor OpenVLD voldoende om niet gelukkig te zijn met de afschaffing van een uur Nederlands in de eerste graad van het katholiek onderwijs. Anderzijds kunnen de Vlaamse liberalen moeilijk ontevreden zijn over de lesruimte die een vak als Mens & Samenleving krijgt. Ze ijveren immers al jaren voor de invoering van een vak LEF (“Levensbeschouwing, Ethiek, Filosofie”), en Mens & Samenleving sluit daar inhoudelijk bij aan.

Sterk Nederlands taalonderwijs hangt natuurlijk niet alleen af van het aantal uren Nederlands op een school. Toch schijnen N-VA en OpenVLD vastbesloten om meer uren voor het vak Nederlands te voorzien. Beide partijen zijn het er blijkbaar over eens dat omwille daarvan één van de twee uren godsdienst moet sneuvelen.

Het zal nog moeten blijken of een politieke overwinning op één aspect van het taalbeleid van de katholieke onderwijskoepel opweegt tegen de mogelijke verliezen. OpenVLD zou erin moeten slagen om het enig overgebleven uur godsdienst te laten verdwijnen als ze het vak LEF alsnog op een gebrekkige manier wil invoeren (als een vak van één uur, wat de inhoudelijke ambities van LEF compleet onmogelijk maakt). Of het zou moeten zijn dat OpenVLD eraan denkt om te knippen in het pakket van andere vakken (bijvoorbeeld geschiedenis), maar dat lijkt onwaarschijnlijk. Het is bovendien nog maar de vraag of het vak LEF uiteindelijk nog nodig is. Naast het nieuwe vak Mens & Samenleving is er immers ook een nieuw leerplan voor godsdienst. Dat plan voldoet in meerdere opzichten aan basisverzuchtingen van voorstanders van LEF. De eliminatie van het vak “godsdienst” zou dan vooral een symbolisch statement zijn.

Eist OpenVLD werkelijk dat het katholiek onderwijs het vak godsdienst opgeeft en daarmee ook de vrijheid om zichzelf te zijn? Zal OpenVLD principieel maar één levensbeschouwelijk pedagogisch schoolproject toelaten, inhoudelijk bepaald van staatswege? Dat druist in tegen alle basisprincipes van een partij die zichzelf “liberaal”, “democratisch” en “rationeel” noemt.

Kortom, in haar ideologische strijd tegen de essentie van het katholiek onderwijs bestrijdt de Vlaamse liberale partij paradoxaal genoeg ook zichzelf.

Het is bijzonder twijfelachtig dat N-VA zal meegaan in het begraven van een vak dat essentiële aspecten belicht van levensbeschouwelijke tradities die – ten goede en ten kwade – bepalend zijn geweest voor het Europese zelfbegrip.

Niemand is gebaat bij een cultureel maatschappelijke afkalving door een verzwakt levensbeschouwelijk onderwijs, ook niet als daardoor een zogenaamde “vijand” lijkt te worden vernietigd. De pluraliteit aan stemmen in Vlaanderen heeft bestaansrecht. Laten we dat zo houden.

P.S.: Eerder schreef ik een pamflet dat een aantal verkeerde veronderstellingen en soms valse aantijgingen over het huidige godsdienstonderwijs in kaart brengt en kritisch belicht. Daarvan lees je de korte versie hier, de volledige versie hier.

Het pamflet werd door meer dan 1000 mensen ondertekend (van jong tot oud, van gelovigen tot ongelovigen, van studenten tot professoren). Alsnog ondertekenen kan via volgende link: https://www.kuleuven.be/thomas/page/godsdienst-met-of-zonder-lef/

Katholieke Dialoogschool (vak rooms-katholieke godsdienst)

De storm is voorlopig gaan liggen, maar de ronduit oneerlijke manier waarop sommige opiniemakers het debat over het levensbeschouwelijk onderwijs vaak voeren, vereist een blijvende kritische en wetenschappelijk gefundeerde waakzaamheid.

Joël De Ceulaer is één van die opiniemakers. De inleiding van Knack op een artikel van hem aangaande levensbeschouwelijk onderwijs liegt niet om de laag-bij-de-grondse “trukendoos” die soms wordt bovengehaald:

“Naar aanleiding van de jihadistische aanslagen in en rond Parijs pleitte Knack-journalist Joël De Ceulaer in het Radio 1-programma Hautekiet voor de afschaffing van levensbeschouwelijke schoolvakken. Herlees hier de ‘Lastpost’ die hij daarover schreef in Knack van 5 november 2014.”

Joël De Ceulaer opnieuw pamflet Godsdienst met of zonder LEF

Gelukkig zijn de traditionele media niet de enige spreekbuis meer. Er zijn genoeg nieuwe kanalen waarlangs “dissidente stemmen” zich kenbaar kunnen maken, tot spijt van wie het benijdt…

“Het uiteindelijke idee was om een verhaal over redding te creëren, om te laten zien hoe de schurk eigenlijk de held is.” – George Lucas, in een interview naar aanleiding van AFI Life Achievement Award.

Het doel van het volgende video-essay is om het verschil op het spoor te komen tussen de manier waarop Joseph Campbell mythen begrijpt en de manier waarop René Girard dat doet. Het wil ook hun verschillend begrip van het Evangelie aan het licht brengen.

Joseph Campbell (1904-1987) wordt onder andere geïnspireerd door Carl Gustav Jung (1875-1961). Hij begrijpt het Evangelie als het zoveelste voorbeeld van de mythe. Volgens hem gaan mythen in essentie over een stervende en opnieuw tot leven komende ‘monsterlijke held-god’, wiens noodzakelijke en onvermijdelijke gewelddadige opoffering een altijd voorlopige vrede en orde schept. Bovendien gelooft Joseph Campbell dat dergelijke heldenmythes een onontkoombare dynamiek illustreren die aan het werk is in het menselijk leven en de cultuur, zowel op individueel als op collectief niveau.

René Girard (1923-2015), aan de andere kant, begrijpt het Evangelie als een radicale kritiek op de gewelddadige offercyclus die wordt gerechtvaardigd door traditionele heldenmythen. Het Evangelie neemt de universele mythologische structuur over en ontmaskert haar afhankelijkheid van het leugenachtige zondebokmechanisme van binnenuit. In tegenstelling tot Joseph Campbell laat René Girard zien hoe het Evangelie het idee ondermijnt dat geweld een onvermijdelijke ‘transcendente’ kracht is die de menselijke cultuur beheerst. Het Evangelie laat zien dat geweld menselijk is, niet goddelijk.

De manier waarop het volgende video-essay de gelijkenissen en verschillen tussen Joseph Campbell en René Girard belicht, is door de eerste zes episodes van de Star Wars-filmsaga te analyseren. Zoals bekend werd George Lucas, de bedenker van Star Wars, sterk geïnspireerd door het werk van Joseph Campbell bij de creatie van Star Wars. Campbell zou uiteindelijk zelfs de persoonlijke mentor van George Lucas worden.

Star Wars, begrepen als een ‘mythologische tragedie’, draait om de overeenkomsten en radicale verschillen tussen Mythe en Evangelie, tussen het Offer van de Mythologische Held en het Offer van Christus.

Joseph Campbell en René Girard blijken allebei onmisbare, briljante gidsen te zijn om ‘de magie van de mythe’ bloot te leggen.

Bekijk de onderstaande video (of klik hier om een ​​pdf van de video te bekijken):

 

Star Wars

Tot besluit volgen enkele fragmenten uit interviews met George Lucas over de ideeën die de achtergrond vormen voor de Star Wars saga:

Uit een interview met Ty Burr voor The Boston Globe (25 October 2005):

GEORGE LUCAS: There’s absolutely no conflict between Darwinism and God’s design for the universe – if you believe that it’s God’s design. The problem for me is that I see a very big difference between the Bible and God. And the problem they’re getting into now is that they’re trying to understand intelligent design through the Bible, not through God. Our job is to find all the “intelligent design,” and figure out how He did everything, and I think that’s consistent with science.

All we’re doing in our own fumbly, bumbly, human way with our inadequate little brains is trying to figure out what He did. And once we figure it out, we say “Ooh, that’s great!” And then we just continue on. Will we ever figure out everything? I don’t know. There’ll always be that faith there that there’s something more to figure out.

TY BURR: When you’re in there creating the nitty-gritty of the “Star Wars” universe, figuring out how an inhabitant of a given planet might evolve a given way, do you feel like you’re playing god?

GL: Well, I started out in anthropology, so to me how society works, how people put themselves together and make things work, has always been a big interest. Which is where mythology comes from, where religion comes from, where social structure comes from. Why are these things created? Now we’re getting into more of the social sciences side of the things, but the biological side is starting to float into that. I’m looking forward to the evolution of neuro-anthropology, because I want to see our genes affect how we build our social systems, how we develop our belief systems in terms of our social beliefs and cultural beliefs. We’re at an exciting time.

TB: What’s neuro-anthropology? I’m not familiar with the term.

GL: It doesn’t exist. [laughs] It’s sort of an extension of neuropsychology, which does exist. But the next step is neuro-anthropology.

TB: The nervous systems of social groups?

GL: Yeah. A friend of mine is writing a book on the social interactions of people based on brain research and how the way we interact with other people is affected by the development of our brains in terms of how the synapses and neurons work. You know, like how married couples influence each other just on a neurological level. What I’m interested in is what happens when you take that to the next level. How do the social institutions reflect the neural activity of the individuals. But that’s an outgrowth of how, in the case of “Star Wars,” I’ve taken psychological motifs from 4,000-year-old stories and put them into a modern vernacular. The reason they worked then is that they were told verbally over and over and over and handed down from father to son. Because they were tested by an audience for thousands of years, they have a certain emotional integrity to them, and you can take those little modules and stick them into a story as they are. They work well because emotionally we have not shifted all that much in the last 4,000 years, whereas intellectually we have.

TB: Are you saying that motifs like the lone hero coming to grips with his father are encoded into our cultural DNA?

GL: I see mythology as a kind of archeological psychology, in which you take psychological fossils that sit in our brain and test to see if they’re still working.

TB: Does your penchant for painting detailed pictures of entire societies come from these interests?

GL: Yes. Also, I love history, so while the psychological basis of “Star Wars” is mythological, the political and social bases are historical. I like to take things and strip them down, then use the model and build a different story on it. You can put in a motif of Saturday-afternoon serials to make it relevant to kids of today, but the political situation of the Empire and the Republic — that’s a scenario that’s been played out thousands of times over the years and that never seems to change much.

I had an interesting discussion when I was doing publicity in Europe for the final “Star Wars” movie. I was sitting around with a dozen reporters, and the Russian correspondents all thought the film was about Russian politics, and the Americans all thought it was about Bush. And I said, “Well, it’s really based on Rome. And on the French Revolution and Bonaparte.” It’s shocking that these things get repeated through history. The same mistakes get made and the tension between democracy and tyranny is always the same. And we haven’t figured out any way around it.

Uit een interview met James Cameron (in zijn serie Story of Science Fiction, 2018), waarin George Lucas enkele beweringen doet die waarschijnlijk “schandalig” klinken in de oren van sommigen: de “goede” Jedi uit de Star Wars filmsaga worden vergeleken met “terroristen”. Lucas praat in dat verband over de Viet Cong, terwijl Cameron Moedjahedin vermeldt. Hun dialoog verwijst met andere woorden naar de onderliggende gelijkenissen tussen tegenstanders in wat René Girard “mimetische rivaliteit” zou noemen (rivaliteit gebaseerd op imitatie):

“Het uiteindelijke idee was om een verhaal over redding te creëren, om te laten zien hoe de schurk eigenlijk de held is.” – George Lucas, in een interview naar aanleiding van AFI Life Achievement Award:

 

 

HET VERHAAL VAN PETRUS

(NAAR MT 26)

Petrus was net verhuisd. Toch voelde hij zich vrij zelfzeker op zijn nieuwe school omdat hij ten minste een van zijn medescholieren al kende: een jongen genaamd Jezus. Petrus realiseerde zich echter niet dat Jezus hevig gepest werd door sommige van Petrus zijn nieuwe klasgenoten, hoewel Jezus tot een andere klas behoorde. Toen Petrus eenmaal begreep hoe de vork in de steel zat, nam hij een “wijze” beslissing om zijn ANGST voor sociale uitsluiting te bezweren: om de waardering van zijn nieuwe klasgenoten te verkrijgen, nam hij afstand van Jezus. Petrus deed alsof hij Jezus helemaal niet zo goed kende. Het bezorgde Petrus de EER van een goede reputatie in de wereld van zijn klasgenoten (klik voor Matteüs 26, 69-74a). Door het spel van de groep mee te spelen en zich niet met Jezus bezig te houden, kreeg Petrus controle en MACHT over de nieuwe situatie waarin hij zich bevond. Gaandeweg verwierf hij zekerheid over zijn positie binnen de groep. Na enkele weken voelde Petrus zich helemaal comfortabel op zijn nieuwe school. Hij ervoer veel GENOT in aanwezigheid van zijn nieuwe vrienden en hij verdronk in de WEELDE van hun rijkeluisfeestjes. Het feit dat zijn vrienden niet hem aanvaardden maar alleen het imago waaraan hij trachtte te voldoen, deerde hem niet al te erg. Zelfverloochening leek helemaal geen dramatische “verkoop van je ziel” als je in ruil daarvoor een wereld van eer, macht, genot en weelde won (klik voor Marcus 8, 35-36). Waarom zou je jezelf respecteren als de beloningen voor een gebrek aan zelfrespect zo goed voelden?

Om een lang verhaal kort te maken: Petrus genoot met volle teugen van zijn leven totdat hij op een dag Jezus opnieuw tegen het lijf liep. Die was in elkaar geslagen door enkele van Petrus’ klasgenoten. Vanaf die dag nam Petrus een beslissing die “dwaas” zou hebben geklonken in de oren van zijn vrienden en van zijn vroegere zelf (klik voor 1 Kor 1, 20b-29). Geconfronteerd met het slachtoffer van de wereld waarvan hij deel had uitgemaakt, besloot Petrus zijn leven niet langer te laten definiëren door het streven naar eer, macht, genot en weelde (klik voor Mt 5, 1-11). Zijn hele identiteit werd getransformeerd door de liefde voor de vijand van de groep waartoe hij behoorde (klik voor 1 Joh 4, 16b). De angst voor “sociale afstraffing” en om “dood” te zijn voor zijn klasgenoten veranderde in een vrees voor de “moord” op anderen (klik voor 1 Joh 4, 17b-18). Petrus beschouwde eer en genot niet langer als doelen op zich, maar als mogelijke gevolgen van een leven in liefde. Als partij kiezen voor de gemarginaliseerde ander hem ONEERVOL maakte in de ogen van sommige van zijn klasgenoten, dan was dat maar zo. Hij was bereid om daarover te discussiëren. Petrus verkoos niet-gewelddadig conflict in zijn eigen “huis” boven de gewelddadige vrede en eenheid die parasiteerde op een gemeenschappelijke externe vijand (klik voor Matteüs 10, 34-36). Hij wou geen vrede die gebaseerd was op uitsluiting. Hij verlangde een ander soort vrede die niet op offers was gebaseerd (klik voor Johannes 14, 27).

Het goede willen voor iemand die meer dan genoeg redenen heeft om je te haten, levert GEEN GENOT op. Het voelt op zijn zachtst gezegd onwennig aan, maar dat hield Petrus niet tegen. De LIEFDE die hij had ontdekt en die de basis werd voor zijn leven, was niet afhankelijk van enig mogelijk resultaat. Petrus zou anderen liefhebben, zelfs als bijvoorbeeld hun afscheid, hun lijden of hun dood hem verdriet zou doen. En zelfs als anderen zijn liefde niet met liefde beantwoordden. Onafhankelijk van gelijk welk resultaat kan de liefde die Petrus draagt op een paradoxale manier almachtig worden genoemd. Ook als zijn klasgenoten en hun wereld hem zouden haten (klik voor 1 Joh 3, 13-14), zou Petrus niet ophouden om zich kwetsbaar en zelfs MACHTELOOS op te stellen vanuit het perspectief van die wereld (klik voor Johannes 15, 19). Als hij al een machtspositie zou aanvaarden, dan zou hij dat niet langer doen om anderen te domineren maar dan zou hij die macht gebruiken als een middel om anderen te dienen (klik voor Lucas 22, 24-27). Op dezelfde manier zou Petrus ook niet langer weelde nastreven als een doel op zich, maar opnieuw als een middel om anderen te dienen. In ieder geval zou zijn geest ARM aan zorgen zijn inzake zijn bezittingen.

Als Petrus zich al zorgen maakte en zich schuldig voelde, dan was het niet langer omdat hij misschien niet aan de verwachtingen van de wereld van zijn klasgenoten beantwoordde, maar omdat de liefde hem had geopenbaard hoe hij anderen had gekwetst. Petrus was niet voor of tegen de sociale regels en wetten die heersten (klik voor Matteüs 5, 17), maar terwijl hij vroeger voor of tegen regels was om ergens aanzien te verwerven, stelde hij zich nu de vraag op welke manier de regels het best de doelen van een liefdevolle gerechtigheid dienden (klik voor Marcus 2, 23-28). Met andere woorden, de geest van de wet werd voor Petrus belangrijker dan de letter van de wet (zie Paulus alsook Marcus 12, 29-31). De liefde bevrijdde Petrus van het verslavend verlangen naar erkenning. Liefde werd zijn “Schepper”: de identiteit van Petrus hing niet langer af van zijn positie in een door mensen gecreëerde sociale omgeving, maar van een liefde die, als een frisse wind wars van de bekommernissen om eer, macht, genot en weelde, relaties aanknoopte met al wie en wat zogezegd “geen betekenis” had (klik voor Johannes 3, 8 en voor 1 Kor 1, 20b-29). Door partij te kiezen voor Jezus en het gemarginaliseerde slachtoffer van om het even welke groep, verloor Petrus een onwaarachtig leven in functie van eer, macht, genot en weelde, en redde hij uiteindelijk zijn zelfrespect (klik voor Marcus 8, 35-36). De keuze voor liefde, voor het beminnen van de ander (wat in het evangelie onder andere wordt uitgedrukt met de termen “koninkrijk van God en zijn gerechtigheid”) heeft als gevolg dat Petrus zichzelf bemint (klik voor Matteüs 6, 33-34).

[Vergelijk Mt 6, 19-34 met volgend fragment uit de hindoeïstische Bhagavad-Gita: “Je hebt recht te werken, maar alleen omwille van het werk. Je hebt geen recht op de vruchten van het werk. Het verlangen naar de vruchten van het werk mag nooit je motief om te werken zijn. Maar geef ook nooit toe aan luiheid. Verricht elke daad met je hart gericht op de Allerhoogste Heer (het Brahman). Wijs gehechtheid aan de vruchten af. Wees gelijkmoedig in succes en mislukking; want deze gelijkmoedigheid wordt bedoeld met yoga. Werk dat wordt gedaan met bezorgdheid om de resultaten is veruit inferieur aan het werk dat wordt gedaan zonder die bezorgdheid, in de kalme staat van overgave. Zoek toevlucht in de kennis van Brahman. Zij die eerzuchtig voor resultaten werken, zijn beklagenswaardig.”]

Het verhaal van Petrus eindigt, kortom, met een Petrus die weigert om nog langer deel te nemen aan een wereld die is gebaseerd op offers. De liefde heeft Petrus de waarheid omtrent zichzelf doen ontdekken: hij is een vervolger geweest, iemand die zijn medemens kwaad doet. Gehoorzamend aan die liefde wordt Petrus, paradoxaal genoeg, vrij van de “duistere machten en krachten” die vaak deze wereld beheersen. Omdat hij niet langer in de ban is van de duistere gehechtheid aan eer, macht, genot en weelde, is Petrus ook niet langer dood voor zichzelf en anderen (klik voor 1 Joh 3, 13-14).

Wie het opneemt voor wie wordt gepest, loopt evenwel het gevaar om zelf ook te worden gepest. Petrus weigert de “afgodendienst van het sociale succes” en weigert aldus iedere vorm van “zelfkruisiging” (hij zet geen “masker” op om populair te zijn), maar loopt daardoor ook het gevaar dat hij zal “gekruisigd worden”. Natuurlijk hoopt hij dat de wereld in staat is om te kiezen voor “barmhartigheid en geen offers” (klik voor Matteüs 9, 13), alleen weet hij niet op voorhand of de wereld die keuze zal maken. Wie niet buigt voor het bedrieglijke, vernietigende verlangen naar totale controle (“de almachtige god die alle touwtjes in handen heeft”), maar wel leeft vanuit een God die liefde is, kan anderen redden maar zichzelf niet (klik voor Matteüs 27, 39-44). Als je het opneemt voor wie wordt gepest, leg je je lot immers in handen van anderen die zich al dan niet tot “de liefde” zullen bekeren. Voor hetzelfde geld word je ook gepest. Als er dan toch nog sprake is van “almacht” in deze context, dan ligt ze in het feit dat je zelfrespect niet afhangt van het respect dat je al dan niet van anderen ontvangt (zelfs als die ander een “god” zou zijn). De narcist is afhankelijk van de erkenning die hij van andere mensen krijgt voor een onwaarachtig zelfbeeld. De mens die zich door de goddelijke liefde gedragen weet, kan de realiteit van en omtrent zichzelf en anderen op een completere manier beleven.

HET VERHAAL VAN MARIA

Het verhaal van Petrus doet denken aan het verhaal van Maria. Maria was het slachtoffer van een verkrachting waardoor ze zwanger werd. Haar familie had haar gedwongen om met haar “vriend(-verkrachter)” Saul te huwen. Ze werd vaak geslagen door haar echtgenoot. Hij slaagde er bovendien in om haar een schuldgevoel te geven over dat geweld, alsof ze de slagen “verdiende”. In werkelijkheid was Maria een zondebok: ze werd beschuldigd van zaken waarvoor ze niet verantwoordelijk was. Jammer genoeg duurde het jaren vooraleer Maria zich realiseerde hoezeer ze door Saul en haar familie was gemanipuleerd.

Jarenlang leefde Maria in ANGST. Ze dwong zichzelf om iemand te zijn die waardering zou krijgen van haar echtgenoot, en geen slagen. Daarin lag haar EER, dacht ze. Terwijl ze MACHT probeerde te verwerven over het gedrag van haar man verloor ze zichzelf echter meer en meer. Ze jaagde werkelijk een illusie na in haar pogingen om GENOT in haar gezinsleven te vinden. Daarbovenop maakte ze zich zorgen over het verlies van WEELDE als haar echtgenoot haar zou verlaten. Ze vreesde dat ze de eindjes niet aan elkaar zou kunnen knopen als ze er alleen zou voor staan. Alleen toen Saul ook hun zoon Stephanus in elkaar begon te slaan, herwon ze haar zelfrespect: de liefde voor het slachtoffer van de situatie waarvan ze deel uitmaakte, opende haar ogen voor de waarheid dat ze de ene na de andere illusie had nagejaagd, en bevrijdde haar van de verslavende gehechtheid aan eer, macht, genot en weelde.

Zowel Petrus als Maria keerden zich af van een leven in functie van een imago dat waardering moest opleveren. Petrus verheerlijkte zichzelf niet langer. Hij deed afstand van zijn superioriteitsgevoel. Daardoor kreeg hij waarachtig respect voor zichzelf en keek hij niet langer neer op anderen (onder wie Jezus). Maria verheerlijkte haar echtgenoot niet langer, waardoor ze zich bevrijdde van een minderwaardigheidscomplex en ook zij meer respect kreeg voor zichzelf. Het herwonnen zelfrespect leidde bij beiden tot meer respect voor (onderdrukte) anderen. Anderen werden niet langer benaderd als middelen die het onrealistisch zelfbeeld van Petrus en Maria moesten bevestigen, maar als doelen op zich.

Zowel het verhaal van Petrus als van Maria openbaart de bekering tot een levenswijze waarop de christelijke traditie in essentie doelt.

EEN SAMENVATTING:

(klik hier voor pdf van het overzicht, en klik hier voor pdf inzake zaligsprekingen en voor post over zaligsprekingen en religieuze geloftes)

AGAPE LIEFDE

 

Zie ook, naar aanleiding van de discussie over de toekomst van de levensbeschouwelijke vakken in België: Pamflet Godsdienst met of zonder LEF? (pdf van lange versie) en Pamflet Godsdienst met of zonder LEF? (pdf van korte versie).

KLIK HIER OM HET PAMFLET INZAKE DE TOEKOMST VAN ONAFHANKELIJK LEVENSBESCHOUWELIJK ONDERWIJS TE TEKENEN.

Voor meer over de discussie omtrent het pamflet: klik hier.

Uit het bovenstaande moet alleszins blijken dat het hedendaagse godsdienstonderwijs in Vlaanderen voldoet aan een aantal essentiële didactische en pedagogische vereisten:

Toegankelijk voor alle leerlingen? Check.

Betrokken op het concrete en actuele leven? Check.

Vertrekkend van Bijbelteksten die aanzetten tot kritische reflectie? Check.

Rationeel en wetenschappelijk verantwoord? Check.

In open dialoog met andere (niet-)godsdienstige levensbeschouwingen? Check.

Kortom, de godsdienstles dient vandaag meer dan ooit de pedagogie van een spirituele (zelfkritische en relationele) levenshouding en levert in die zin een essentiële bijdrage aan een betrokken, verantwoordelijk burgerschap.

Zijn al mijn leerlingen in staat om de “evangelische paradox” te begrijpen? Zijn ze, met andere woorden, in staat om inzicht te verwerven in de kern van een christelijke levenswijze (ook als ze hun leven op een andere manier wensen vorm te geven)? Het antwoord op die vragen is ondubbelzinnig “ja”.

Zijn al mijn leerlingen in staat om de antropologische, psychosociale, historische en filosofische implicaties van die “evangelische paradox” voldoende adequaat te doordenken? Het antwoord op die vraag is onvermijdelijk “nee”, maar tussen de basis en de verdere uitweidingen ligt de boeiende taak van de lesgever die – zo goed en zo kwaad als het kan – tracht te “diversifiëren”.

In ieder geval vat het bovenstaande het “minimum” van mijn godsdienstlessen samen. Ieder moet maar voor zichzelf uitmaken in hoeverre dat “aanstootgevend” of “indoctrinerend” zou zijn.

 

[ZIE VERDER VOOR GEDEELTELIJKE NEDERLANDSE VERTALING]

THE STORY OF PETER

Peter was the new kid in town. Still he felt rather confident at his new school since he knew at least one of his schoolmates beforehand, a guy named Jesus. What Peter didn’t realize, however, was the fact that Jesus was heavily bullied by Peter’s new classmates, although Jesus was in another class. When he became aware of the situation, Peter made a “wise” decision to battle his FEAR of becoming an outcast. To gain the approval of his new classmates, he disassociated himself from Jesus. He pretended not to know Jesus that well. By playing along with the crowd Peter protected his good reputation and HONOR (see below Matthew 26:69-74). It was also a good way to ensure his position within the group; playing along gave Peter control and POWER over what could have been a precarious situation. After a few weeks Peter felt pretty comfortable going to school. Being among his new friends gave him lots of PLEASURE as he enjoyed the WEALTH of their luxurious parties. The fact that his friends did not accept him but only the image he forced himself into did not seem to bother Peter too much. After all, wasn’t that kind of over-dramatically characterized “selling your soul” self-denial in reality but a small price to pay in order to gain this world of honor, power, pleasure and wealth (see below Mark 8:35-36)? Why respect yourself if the rewards of not respecting yourself felt so good?

To make a long story short, Peter’s new life went pretty well until he ran into Jesus one day. Jesus was severely beaten up by some of Peter’s classmates. From that day onwards, Peter made a decision that would have sounded “foolish” to his friends and to his former self (see below 1 Corinthians 1:20b-25). In the face of the victim of the world he had been a part of, Peter decided to abandon a life that was defined by the pursuit of honor, power, pleasure and wealth (see Matthew 5, 1-11). His whole identity was transformed by the love for the enemy of the group he belonged to (see below 1 John 4:16). The fear of being “dead” to his classmates and of “social punishment” changed into a fear of being the cause of the “murder” of others (see below 1 John 4:17b-18). Peter also no longer considered honor and pleasure as ends in themselves, but as possible consequences of a life in love. If taking sides with the marginalized other made Peter DISHONORABLE in the eyes of some of his classmates, then so be it. Peter chose non-violent conflict in his own “house” over the violent peace and unity at the expense of excluded others (see below Matthew 10:34-36). He did not want that kind of sacrificial peace. He desired a different kind of peace, not based on “sacrifice” (see below John 14:27).

If willing the good of someone who had every reason to hate him made Peter feel UNPLEASURABLE, then so be it. The LOVE that was discovered by Peter and that became the basis of his life did not depend on whatever outcome. He would still love others even if, for instance, their farewell or their suffering or death would make him sad and wouldn’t bring him any pleasure at all. Independent of whatever outcome, the love Peter lived by can be called all-powerful in a paradoxical sense. Even if his classmates and their world would hate him (see below 1 John 3:13-14), Peter wouldn’t avoid being vulnerable and eventually POWERLESS from the perspective of that world (see below John 15:19). He would not seek power to dominate others but as a means to serve them (see below Luke 22:24-27), at most. Equally, Peter would not seek wealth as end in itself but as a means to serve others, at most. His spirit would be POOR in worries with regard to his possessions.

If Peter felt worried and guilty at all it was no longer because he didn’t live up to the expectations of the world of his classmates, but because love informed him that he had hurt others. Peter no longer respected social rules and laws because they would gain him recognition, but only insofar as they would be helpful in the service of love (see below Mark 2:23-28; see also Mark 12:29-31 and Paul on “spirit of the law vs letter of the law”); neither would he transgress rules because it would grant him a new social status among “the cool dudes” (see below Matthew 5:17). Love detached Peter from the addictive desire for approval. He tried to no longer imitate a man-made social environment based on exclusion but tried to imitate the flexible ways of love (blowing like the wind, free from all the man-made attachments – see below John 3:8). Love became his “Creator”. In taking sides with Jesus and the marginalized victim of whatever group, Peter lost a “masqueraded” life that was defined by the attachment to honor, power, pleasure and wealth, and he eventually saved his self-respect (see below Mark 8:35-36).

In short, Peter’s story ends with his refusal to take part in the sacrifice of others and therefore he runs the risk of being sacrificed or crucified himself, although he of course hopes that the world is able to show “mercy, not sacrifice” (see below Matthew 9:13). Peter refuses to “crucify himself” to participate in the masquerade of the attachment to approval and therefore he runs the risk of “being crucified”. Peter is willing to run that risk because of his obedience to the demands of love, which is an obedience that allows him to accept the truth about himself as a former persecutor and which sets him free from the destructive “powers and principalities” often governing this world. Because of love, Peter is no longer dead to himself and others (see below 1 John 3:13-14).

THE STORY OF MARY

Peter’s story is reminiscent of Mary’s story. Mary was the victim of a rape that made her pregnant and she was forced by her family to marry her “boyfriend(-rapist)” Saul. She was often beaten by her husband who could make her feel guilty about the beatings, as if she “deserved” them. In reality, Mary was a scapegoat. She was blamed for things she wasn’t guilty of. Sadly enough it took years for Mary to realize how badly she had been manipulated.

For years Mary lived in FEAR. She forced herself to be someone who would receive the approval of her husband, not his beatings. That’s where her HONOR lay, or so she thought. In trying to gain POWER over her husband’s behavior, however, she lost herself more and more. She was really hunting an illusion in her attempts to turn her family life into a comfortable environment of PLEASURE like the one of her best friend. Moreover, she worried about losing the WEALTH of her husband too. She thought that she would not be able to make a living of her own. It was only when her husband started beating her son too that she regained her self-respect: the love for this victim of the situation she had been part of, opened her eyes for the truth that she had hunted one illusion after the other, and liberated her from the addictive attachment to honor, power, pleasure and wealth.

Both the above stories of Peter and Mary show what the Christian tradition is essentially about. Christianity thus:

  • subverts any system (religious or secular) that originates from man’s attachment to honor, power, pleasure and/or wealth (attachments that are based on fear of death), even if that system calls itself “Christian”. Explanations on the origin of religion that rely on man’s attachment to honor, power, pleasure and/or wealth thus do not explain the origin of Christianity as such (but of perverted versions of Christianity). Explanations like the one proposed by Yuval Noah Harari’s (in Sapiens) should be evaluated from this perspective.
  • believes that love is a divine reality, which is not a sentiment or a feeling, but an active willing of the good of the other as other. This divine reality thus is not all-powerful in the sense that it controls everything, but in the sense that it is independent of any calculations about possible outcomes. Love gives itself, regardless of the question whether it is accepted or not. That’s why “grace” is what it is. God as “Creator” should be thought of as a loving dynamic that seeks to hold everything together, although not as an all-controlling entity (see Matthew 27:39-44).
  • shows the futility of many of the things we consider “meaningful” and thus opens up our eyes for a more comprehensive look on reality.
  • does not easily comfort because it challenges us to abandon our “comfort zone”.
  • is not “irrational”. On the contrary, it has a very sharp and clear view on the reality of human life and its absurdities, opening up a logic that could save human life from its absurdities.
  • testifies to a spirituality of “a love for reality because of reality itself, without ulterior motives” that can be found within other traditions as well.
  • is non-dualistic, as it does not seek the destruction of a so-called “evil world” but its transformation and fulfilment through love.
  • is not about “seeking the approval of God”, but is about the paradox of obeying the liberating demands of a love that needs no approval.

SUMMARY (click here for pdf):

AGAPE LOVE

To finish, some excerpts from the Bible on which all of the above is based:

Matthew 26, especially 26:69-74: Now Peter was sitting out in the courtyard, and a servant girl came to him. “You also were with Jesus of Galilee,” she said. But he denied it before them all. “I don’t know what you’re talking about,” he said. Then he went out to the gateway, where another servant girl saw him and said to the people there, “This fellow was with Jesus of Nazareth.” He denied it again, with an oath: “I don’t know the man!” After a little while, those standing there went up to Peter and said, “Surely you are one of them; your accent gives you away.” Then he began to call down curses, and he swore to them, “I don’t know the man!”

Sermon on the Mount (Matthew 5-7), especially the Beatitudes (click here for more).

1 Corinthians 1:20b-25: Has not God made foolish the wisdom of the world? For since in the wisdom of God the world through its wisdom did not know him, God was pleased through the foolishness of what was preached to save those who believe. Jews demand signs and Greeks look for wisdom, but we preach Christ crucified: a stumbling block to Jews and foolishness to Gentiles, but to those whom God has called, both Jews and Greeks, Christ the power of God and the wisdom of God. For the foolishness of God is wiser than human wisdom, and the weakness of God is stronger than human strength.

1 John 4:16: God is love. Whoever lives in love lives in God, and God in them.

1 John 4:17b-18: There is no fear in love. But perfect love drives out fear, because fear has to do with punishment. The one who fears is not made perfect in love.

Matthew 10:34-36: “Do not suppose that I have come to bring peace to the earth. I did not come to bring peace, but a sword. For I have come to turn ‘a man against his father, a daughter against her mother, a daughter-in-law against her mother-in-law – a man’s enemies will be the members of his own household.'”

John 14:27: “Peace I leave with you; my peace I give you. I do not give to you as the world gives. Do not let your hearts be troubled and do not be afraid.”

Matthew 9:13: “Go and learn what this means: ‘I desire mercy, not sacrifice.For I have not come to call the righteous, but sinners.”

Mark 8:35-36: “For whoever wants to save their life will lose it, but whoever loses their life for me and for the gospel will save it. What good is it for someone to gain the whole world, yet forfeit their soul?”

John 15:19: “If you belonged to the world, it would love you as its own. As it is, you do not belong to the world, but I have chosen you out of the world. That is why the world hates you.”

1 John 3:13-14: Do not be surprised, my brothers and sisters, if the world hates you. We know that we have passed from death to life, because we love each other. Anyone who does not love remains in death.

Luke 22:24-27: A dispute also arose among the disciples as to which of them was considered to be greatest. Jesus said to them, “The kings of the Gentiles lord it over them; and those who exercise authority over them call themselves Benefactors. But you are not to be like that. Instead, the greatest among you should be like the youngest, and the one who rules like the one who serves. For who is greater, the one who is at the table or the one who serves? Is it not the one who is at the table? But I am among you as one who serves.”

Mark 2:23-28: One Sabbath Jesus was going through the grainfields, and as his disciples walked along, they began to pick some heads of grain. The Pharisees said to him, “Look, why are they doing what is unlawful on the Sabbath?” He answered, “Have you never read what David did when he and his companions were hungry and in need? In the days of Abiathar the high priest, he entered the house of God and ate the consecrated bread, which is lawful only for priests to eat. And he also gave some to his companions.” Then he said to them, “The Sabbath was made for man, not man for the Sabbath. So the Son of Man is Lord even of the Sabbath.”

Matthew 5:17: “Do not think that I have come to abolish the Law or the Prophets; I have not come to abolish them but to fulfill them.”

John 3:8: “The wind blows wherever it pleases. You hear its sound, but you cannot tell where it comes from or where it is going. So it is with everyone born of the Spirit.”

P.S.: THANKS TO James Alison, Robert Barron, René Girard, Emmanuel Levinas and many others for the inspiring insights into the reality of Christian life.

HET VERHAAL VAN PETRUS

Petrus was net verhuisd. Toch voelde hij zich vrij zelfzeker op zijn nieuwe school omdat hij ten minste een van zijn medescholieren al kende: een jongen genaamd Jezus. Petrus realiseerde zich echter niet dat Jezus hevig gepest werd door sommige van zijn nieuwe klasgenoten, hoewel Jezus tot een andere klas behoorde. Toen Petrus eenmaal begreep hoe de vork in de steel zat, nam hij een “wijze” beslissing om zijn ANGST voor sociale uitsluiting te bezweren: om de waardering van zijn nieuwe klasgenoten te verkrijgen, nam hij afstand van Jezus. Petrus deed alsof hij Jezus helemaal niet zo goed kende. Het bezorgde Petrus de EER van een goede reputatie in de wereld van zijn klasgenoten (klik voor Matteüs 26, 69-74a). Door het spel van de groep mee te spelen en zich niet met Jezus bezig te houden, kreeg Petrus controle en MACHT over de nieuwe situatie waarin hij zich bevond. Gaandeweg verwierf hij zekerheid over zijn positie binnen de groep. Na enkele weken voelde Petrus zich helemaal comfortabel op zijn nieuwe school. Hij ervoer veel GENOT in aanwezigheid van zijn nieuwe vrienden en hij verdronk in de WEELDE van hun rijkeluisfeestjes. Het feit dat zijn vrienden niet hem aanvaardden maar alleen het imago waaraan hij trachtte te voldoen, deerde hem niet al te erg. Zelfverloochening leek helemaal geen dramatische “verkoop van je ziel” als je in ruil daarvoor een wereld van eer, macht, genot en weelde won (klik voor Marcus 8, 35-36). Waarom zou je jezelf respecteren als de beloningen voor een gebrek aan zelfrespect zo goed voelden?

Om een lang verhaal kort te maken: Petrus genoot met volle teugen van zijn leven totdat hij op een dag Jezus opnieuw tegen het lijf liep. Die was in elkaar geslagen door enkele van Petrus’ klasgenoten. Vanaf die dag nam Petrus een beslissing die “dwaas” zou hebben geklonken in de oren van zijn vrienden en van zijn vroegere zelf (klik voor 1 Kor 1, 20b-29). Geconfronteerd met het slachtoffer van de wereld waarvan hij deel had uitgemaakt, besloot Petrus zijn leven niet langer te laten definiëren door het streven naar eer, macht, genot en weelde (klik voor Mt 5, 1-11). Zijn hele identiteit werd getransformeerd door de liefde voor de vijand van de groep waartoe hij behoorde (klik voor 1 Joh 4, 16b). De angst voor “sociale afstraffing” en om “dood” te zijn voor zijn klasgenoten veranderde in een vrees voor de “moord” op anderen (klik voor 1 Joh 4, 17b-18). Petrus beschouwde eer en genot niet langer als doelen op zich, maar als mogelijke gevolgen van een leven in liefde. Als partij kiezen voor de gemarginaliseerde ander hem ONEERVOL maakte in de ogen van sommige van zijn klasgenoten, dan was dat maar zo. Hij was bereid om daarover te discussiëren. Petrus verkoos niet-gewelddadig conflict in zijn eigen “huis” boven de gewelddadige vrede en eenheid die parasiteerde op een gemeenschappelijke externe vijand (klik voor Matteüs 10, 34-36). Hij wou geen vrede die gebaseerd was op uitsluiting. Hij verlangde een ander soort vrede die niet op offers was gebaseerd (klik voor Johannes 14, 27).

Het goede willen voor iemand die meer dan genoeg redenen heeft om je te haten, levert GEEN GENOT op. Het voelt op zijn zachtst gezegd onwennig aan, maar dat hield Petrus niet tegen. De LIEFDE die hij had ontdekt en die de basis werd voor zijn leven, was niet afhankelijk van enig mogelijk resultaat. Petrus zou anderen liefhebben, zelfs als bijvoorbeeld hun afscheid, hun lijden of hun dood hem verdriet zou doen. Onafhankelijk van gelijk welk resultaat kan de liefde die Petrus draagt op een paradoxale manier almachtig worden genoemd. Ook als zijn klasgenoten en hun wereld hem zouden haten (klik voor 1 Joh 3, 13-14), zou Petrus niet ophouden om zich kwetsbaar en zelfs MACHTELOOS op te stellen vanuit het perspectief van die wereld (klik voor Johannes 15, 19). Als hij al een machtspositie zou aanvaarden, dan zou hij dat niet langer doen om anderen te domineren maar dan zou hij die macht gebruiken als een middel om anderen te dienen (klik voor Lucas 22, 24-27). Op dezelfde manier zou Petrus ook niet langer weelde nastreven als een doel op zich, maar opnieuw als een middel om anderen te dienen. In ieder geval zou zijn geest ARM aan zorgen zijn inzake zijn bezittingen.

Als Petrus zich al zorgen maakte en zich schuldig voelde, dan was het niet langer omdat hij misschien niet aan de verwachtingen van de wereld van zijn klasgenoten beantwoordde, maar omdat de liefde hem had geopenbaard hoe hij anderen had gekwetst. Petrus was niet voor of tegen de sociale regels en wetten die heersten (klik voor Matteüs 5, 17), maar terwijl hij vroeger voor of tegen regels was om ergens aanzien te verwerven, stelde hij zich nu de vraag op welke manier de regels het best de doelen van een liefdevolle gerechtigheid dienden (klik voor Marcus 2, 23-28). Met andere woorden, de geest van de wet werd voor Petrus belangrijker dan de letter van de wet (zie Paulus alsook Marcus 12, 29-31). De liefde bevrijdde Petrus van het verslavend verlangen naar erkenning. Liefde werd zijn “Schepper”: de identiteit van Petrus hing niet langer af van een door mensen gecreëerde sociale omgeving, maar van een liefde die, als een frisse wind wars van de bekommernissen om eer, macht, genot en weelde, relaties aanknoopte met al wie en wat zogezegd “geen betekenis” had (klik voor Johannes 3, 8). Door partij te kiezen voor Jezus en het gemarginaliseerde slachtoffer van om het even welke groep, verloor Petrus een onwaarachtig leven in functie van eer, macht, genot en weelde, en redde hij uiteindelijk zijn zelfrespect (klik voor Marcus 8, 35-36).

Het verhaal van Petrus eindigt, kortom, met een Petrus die weigert om nog langer te participeren aan een wereld die is gebaseerd op offers. De liefde heeft Petrus de waarheid omtrent zichzelf doen ontdekken: hij is een vervolger geweest, iemand die zijn medemens kwaad doet. Gehoorzamend aan die liefde wordt hij, paradoxaal genoeg, vrij van de “duistere machten en krachten” die vaak deze wereld beheersen. Omdat hij niet langer in de ban is van de duistere gehechtheid aan eer, macht, genot en weelde, is hij ook niet langer dood voor zichzelf en anderen (klik voor 1 Joh 3, 13-14).

Wie het opneemt voor wie wordt gepest, loopt evenwel het gevaar om zelf ook te worden gepest. Petrus weigert de “afgodendienst van het sociale succes” en weigert aldus iedere vorm van “zelfkruisiging”, maar loopt daardoor ook het gevaar dat hij zal “gekruisigd worden”. Natuurlijk hoopt hij dat de wereld in staat is om te kiezen voor “barmhartigheid en geen offers” (klik voor Matteüs 9, 13), alleen weet hij niet op voorhand of de wereld die keuze zal maken. Wie niet buigt voor het bedrieglijke, vernietigende verlangen naar totale controle (“de almachtige god die alle touwtjes in handen heeft”), maar wel leeft vanuit een God die liefde is, kan anderen redden maar zichzelf niet (klik voor Matteüs 27, 39-44). Als je het opneemt voor wie wordt gepest, leg je je lot immers in handen van anderen die zich al dan niet tot “de liefde” zullen bekeren. Voor hetzelfde geld word je ook gepest. Als er dan toch nog sprake is van “almacht” in deze context, dan ligt ze in het feit dat je zelfrespect niet afhangt van het respect dat je al dan niet van anderen ontvangt als je vanuit de goddelijke liefde leeft. De narcist is afhankelijk van de erkenning die hij van andere mensen krijgt voor een onwaarachtig zelfbeeld. De mens die zich door de liefde gedragen weet, kan de realiteit van en omtrent zichzelf en anderen op een completere manier beleven.

HET VERHAAL VAN MARIA

Het verhaal van Petrus doet denken aan het verhaal van Maria. Maria was het slachtoffer van een verkrachting waardoor ze zwanger werd. Haar familie had haar gedwongen om met haar “vriend(-verkrachter)” Saul te huwen. Ze werd vaak geslagen door haar echtgenoot. Hij slaagde er bovendien in om haar een schuldgevoel te geven over dat geweld, alsof ze de slagen “verdiende”. In werkelijkheid was Maria een zondebok: ze werd beschuldigd van zaken waarvoor ze niet verantwoordelijk was. Jammer genoeg duurde het jaren vooraleer Maria zich realiseerde hoezeer ze door Saul en haar familie was gemanipuleerd.

Jarenlang leefde Maria in ANGST. Ze dwong zichzelf om iemand te zijn die waardering zou krijgen van haar echtgenoot, en geen slagen. Daarin lag haar EER, dacht ze. Terwijl ze MACHT probeerde te verwerven over het gedrag van haar man verloor ze zichzelf echter meer en meer. Ze jaagde werkelijk een illusie na in haar pogingen om GENOT in haar gezinsleven te vinden. Daarbovenop maakte ze zich zorgen over het verlies van WEELDE als haar echtgenoot haar zou verlaten. Ze vreesde dat ze de eindjes niet aan elkaar zou kunnen knopen als ze er alleen zou voor staan. Alleen toen Saul ook hun zoon Stephanus in elkaar begon te slaan, herwon ze haar zelfrespect: de liefde voor het slachtoffer van de situatie waarvan ze deel uitmaakte, opende haar ogen voor de waarheid dat ze de ene na de andere illusie had nagejaagd, en bevrijdde haar van de verslavende gehechtheid aan eer, macht, genot en weelde.

Zowel Petrus als Maria keerden zich af van een leven in functie van een imago dat waardering moest opleveren. Petrus verheerlijkte zichzelf niet langer, waardoor hij respect kreeg voor zichzelf en niet langer op anderen als Jezus neerkeek. Maria verheerlijkte haar echtgenoot niet langer, waardoor ze zich bevrijdde van een minderwaardigheidscomplex en meer respect kreeg voor zichzelf. Bij beiden leidde het herwonnen zelfrespect tot meer respect voor (onderdrukte) anderen. Anderen werden niet langer benaderd als middelen die het onrealistisch zelfbeeld van Petrus en Maria moesten bevestigen, maar als doelen op zich.

Zowel het verhaal van Petrus als van Maria openbaart de bekering tot een levenswijze waarop de christelijke traditie in essentie doelt.

EEN SAMENVATTING:

(klik hier voor pdf van het overzicht, en klik hier voor pdf inzake zaligsprekingen en voor post over zaligsprekingen en religieuze geloftes)

AGAPE LIEFDE